Cloosterman

© Albert Cloosterman; Digitale bewerking 05-05-2012 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Het gezin van slager Piet Cloosterman
Dommer van Poldersveldtweg 55 Nijmegen-oost

door Albert (Ap) Cloosterman

Inleiding

Naarmate de mens ouder wordt groeit zijn nieuwsgierigheid naar de wortels van zijn bestaan. Op het moment, dat je levensverhalen wilt gaan vastleggen, realiseer je dat het eigenlijk al te laat is. Er zijn al veel naaste familieleden en vrienden weggevallen. Behalve het bezit van foto's, die soms erg schaars zijn, is er weinig of niets opgetekend over het leven van onze voorouders.
In gemeentelijke of kerkelijke documenten vind je hoogstens iets over data van geboorte, huwelijk en overlijden, maar echte verhalen van "uit het leven gegrepen" zijn op deze manier niet te achterhalen. Het initiatief is daarom genomen om herinneringen uit vroegere tijden alsnog aan het papier toe te vertrouwen.

Met groeiend respect heb ik het levensverhaal van mijn ouders in kaart gebracht: Het waren ondernemers en zij hebben in het zweet des aanschijn de kost voor hun gezin moeten verdienen. In deze tijd van welvaart is dit door onze jongeren nauwelijks te vatten.

Zwartebroek, mei 2012
Albert (Ap) Cloosterman

Inhoud

Geschiedenis van de familie Cloosterman
Stamboom van de familie Cloosterman
Persoonlijke herinneringen van Albert Cloosterman aan de jaren 1940 en 1950 in Nijmegen-Oost
De mensen die op de Dommer woonden en het aantal middenstanders
Reacties

Geschiedenis van de familie Cloosterman

De vader van Piet Cloosterman Sr. ( Jan Cloosterman 1871 – 1912) hebben we geen van allen gekend. Hij is geboren in de Bottelstraat nr. 7 te Nijmegen, een straat waar vele handslieden woonden en hij is op 41 jarige leeftijd overleden, toen Piet 6 jaar oud was. Over de oorzaak van zijn overlijden is geen duidelijkheid. Er bestaat een versie, dat hij aan niervergiftiging is overleden, maar er is ook een verhaal dat hij door een trap van een paard uiteindelijk is bezweken. Opa en Oma (Johanna Biessels 1871 – 1959) hadden aanvankelijk een café (tapperij) in de Ziekerstraat in Nijmegen: "De vergulde Kuip". Eind 1800 zijn ze verhuisd naar de hoek Kroonstraat - Bloemerstraat, waar ze een ander café zijn begonnen en waarvan we helaas de naam niet kennen. Achter het café waren paardenstallen waar kooplui, die een pintje kwamen drinken hun paarden konden stallen.


Het café van de weduwe Cloosterman op de hoek van de Kroonstraat-Bloemerstraat vóór 1944.
Links dochter Bets Cloosterman en rechts oma Cloosterman.

Oma Cloosterman-Biessels moest, na de dood van haar man alleen voor haar kroost de kost verdienen en zij deed dat door het café in haar eentje door te zetten. Oma heeft het niet gemakkelijk gehad. Behalve, dat ze vroeg weduwe was had ze ook veel zorg over haar zoon Gerrit, die om een voor ons onbekende reden het zwarte schaap van de familie is geworden.
Gerrit Cloosterman heeft een dumpzaak gehad aan de Grotestraat: “Generaal Goedkoop”.

Verder heeft Oma twee dochtertjes verloren, die op vrij jeugdige leeftijd zijn overleden.
Oma Cloosterman was een zus van de bekende Nijmegenaar Piet Biessels, die het boekje
"Het vestingstadje Nijmegen" heeft geschreven. Een van de zonen van Piet Biessels was Theo Biessels van de "Vulpenhoek" op de hoek van de Grote Markt en de Grotestraat. Jan Biessels van de kolenhandel was ook een zoon van Piet Biessels.
Piet Biessels was de peetoom van Piet Cloosterman.

Piet Cloosterman leerde voor slager en hij heeft in die periode ook nog een tijd in Maastricht doorgebracht. In zijn vrije tijd voetbalde hij bij MVV.


MVV-3 kampioen. Piet Cloosterman rechts van de dame met het hoedje.

In 1934 is hij een slagerij begonnen op de Dommer van Poldersveldtweg 55 in Nijmegen-oost. Het pand behoorde toe aan Jan Faber, die getrouwd was met een zus van Oma Cloosterman. Samen met zijn zus Bets runde hij de slagerij. De buurt was een wijk, waar de mensen het over het algemeen niet erg breed hadden en er werd verschrikkelijk veel op de pof gekocht, hetgeen een uitgebreide administratie met zich mee bracht.

Via zijn nicht Annie Faber (dochter van Jan Faber) ontmoette hij Lies van Gelder en dat schijnt op de Nijmeegse ijsbaan te zijn gebeurd. Lies van Gelder had geen gemakkelijke jeugd achter de rug. Haar ouders (Grad en Marie) waren rasechte ondernemers en al vroeg werd Lies naar een kostschool in Millingen gestuurd. Millingen was via varen over de Waal bereikbaar met een dienstboot. Na de kostschool in Millingen heeft Lies de Handelsschool in Nijmegen gevolgd.

Grad was in het bezit van een T-Ford en Lies was bijdehand genoeg om haar rijbewijs te halen, zodat ze regelmatig in deze prachtige auto heeft kunnen rondtoeren. Als kind heb ik nog wel eens met Grad mogen meerijden en ik herinner me nog, dat ik dan bij het rechts afslaan een handle mocht bedienen, waarmee de richtingaanwijzer in de vorm van een soort vinger werd uitgestoken.

Grad van Gelder waakte als een leeuw over zijn dochters en je moest van goede huize komen wilde je er eentje verschalken. Op een avond trok Piet Cloosterman de stoute schoenen aan en meldde zich bij Grad. Lies was die avond niet thuis. Grad vond het eigenlijk maar niks, dat zo'n net begonnen slagertje om zijn dochter kwam. Piet was een man, die erg gemakkelijk sympathie wist te winnen en ook precies wist hoe hij dat moest aanleggen. Toen Lies later op de avond thuis kwam sloeg haar de angst om het hart, want het leek wel uitgestorven in huis. Toen ze de huiskamer binnenkwam had Grad nauwelijks oog voor haar, want Piet was met de familie aan het kaarten geslagen en daar lag nauw precies de hartstocht van Grad van Gelder: Als je kon kaarten dan kon je niet meer stuk bij hem.

Vanuit de Graafseweg 64, waar aan huis ook het feest werd gevierd, zijn Piet en Lies getrouwd (5 mei 1936).


Piet en Lies op huwelijksreis in Brussel samen met Leo van Velp,
die een slagerij had op de hoek van de Acaciastraat-Tooropstraat.

Toen Lies op de "Dommer" introk waren er twee vrouwelijke kapiteins aan boord (tante Bets en Lies) en dat ging natuurlijk mis. Tante Bets ging terug naar Oma Cloosterman-Biessels om daar in het café te gaan helpen.

Nog vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog werd het gezin uitgebreid met de komst van twee zonen: Albert en Géke. De oorlogsjaren waren niet gemakkelijk voor Piet en Lies.

De zorg voor het dagelijkse bestaan vergde veel energie. Het voedsel ging op de bon, hetgeen betekende dat elk gezin, afhankelijk van de grootte, een aantal bonnen kreeg waarvoor je een bepaalde hoeveelheid voedsel kon kopen. Deze bonnen werden bij de winkelier ingeleverd en deze bonnen werden zaterdag s 'avonds op vellen geplakt, waardoor Piet tegen inlevering hiervan weer vlees kon inkopen. De werkuren, die Piet en Lies maakten zouden in deze tijd onmiddellijk tot verzet en stakingen leiden. Zaterdags was Piet al om 5 uur bezig voor het gereedmaken van bestellingen, die op zaterdagmorgen rond gebracht moesten worden. Dit gebeurde met een transportfiets met een bagagedrager boven het voorwiel waar een grote rieten mand op vastgemaakt was en waarmee de slagersbediende vele kilometers moest toeren. De winkel stond op zaterdag vol met klanten. Lies stond achter de snijmachine voor de vleeswaren en bediende de kassa. Piet zat altijd vol humor en wist de lachers op zijn hand te krijgen. Vooral jonge meiden moesten het, zij het op een nette manier, ontgelden. Het bekende "plakkie worst" was in die tijd heel gewoon, maar Piet vroeg er altijd een "kussie" voor. De winkel was tot 18 uur open, maar dan moest er daarna nog schoongemaakt worden en moesten de vloeren geschrobd worden. Ook moest de dagopbrengst van de bezorging nog afgerekend worden.
Tegen 22 uur s' avonds was het dan gedaan met het werk en dan waren Piet en Lies helemaal kapot.

Piet was collectant in de Christus Koningkerk en dat betekende dat hij zondags er weer bijtijds bij moest zijn. Na de kerk was het altijd vaste prik: uitsmijter rosbief.
Voordat je naar de kerk ging mocht je niets eten of drinken, want het ontvangen van de communie moest "nuchter" gebeuren. In de kerk werd er drie keer gecollecteerd: 2 schalen en de buidel. Piet ging altijd met de buidel rond en dit was een lange stok met een zak eraan.
Deze zak werd voorlangs de kerkgangers geschoven en ieder kon dan zijn bijdrage in de zak storten. Aan het eind moest Piet de stok omhoog tillen, zodat de volgende rij van achteraan de zak voorgeschoteld kreeg. Het is gebeurd, dat een of andere kakmadam, niets in het zakje deed en dat vond Piet maar niks. Toen Piet de zak over het hoofd van deze dame naar de volgende rij moest tillen werd "per ongeluk "de hoed van deze dame meegesleept.
Eens per jaar gingen de collectanten potverteren en Piet liet nooit verstek gaan. De dames werden dan s' avonds bij het diner gevraagd, maar overdag hadden de heren zich spiritueel al behoorlijk voorbereid. Er waren vele collectanten, zoals de heren van der Steen, van Rossum, Tromp en van der Griendt.

In de oorlog was het heel moeilijk om aan drank te komen, maar Piet en zijn broer Jan, die aanvankelijk een bakkerij had in de Muchterstraat en later een bakkerszaak had in de Jan van Goyenstraat, wisten altijd wel wegen te vinden om toch een flesje te bemachtigen. Op de bruiloft van Annie Faber met Jan Bruijns was er geen sterke drank. Piet en zijn broer Jan hadden daarom zelf maar een fles meegenomen. Iedereen zat aan de limonade (siroop aangelengd met water) en voerde serieuze gesprekken. Piet en Jan zongen het hoogste lied en niemand begreep hoe ze nu in hemelsnaam zo vrolijk konden worden van dat flauwe sap.
Jan Cloosterman was altijd in voor grappen. Op een van de verjaardagen van Piet (4 oktober) vond Jan het nodig om op het kruispunt Dommer en Fortstraat het verkeer te gaan regelen. Hij trok daarvoor een lange witte onderbroek van Piet aan en stapte naar buiten waar hij bij Peeters de melkboer, die ook op de verjaardag aanwezig was, een aantal melkbussen pakte en die op het kruispunt plaatste om op deze manier hoog boven het verkeer (dat er niet was) uit te tornen. Wat Jan niet wist, was, dat Piet intussen met zijn kolenschoppen van handen door een pot mosterd had gewreven en Jan ter aanmoediging wat tikken achter op zijn billen had gegeven.
Ondanks het leven van keihard werken was er altijd wel tijd voor plezier en lachen.

Met Kerstmis was het de gewoonte om in de St. Jozefkerk aan het Keizer Karel Plein naar de nachtmis te gaan. Piet had er dan een verschrikkelijk zware dag opzitten. De nachtmis werd altijd druk bezocht en als je een beetje aan de late kant was dan had je geen zitplaats en moest je de hele plechtigheid (en dat waren drie missen) staan. Piet was te laat en zou dus moeten staan. Maar Piet zou Piet niet geweest zijn als hij daar niet wat op gevonden had. Hij kroop in de biechtstoel en zakte daar heerlijk onderuit. Wim van Gelder Sr. (een broer van Lies Cloosterman) die in de kerk vlak bij de biechtstoel zat vertelde, dat tijdens de preek een enorm gesnurk vanuit de biechtstoel hoorbaar was. Na de eerste mis ging oma Marie van Gelder, Lies en haar zus Tilly al vast naar huis om het eten voor te bereiden. Bij thuiskomst uit de kerk was het dan heerlijk smullen geblazen.

Tijdens de oorlogsjaren was het van groot belang, dat er sprake was van een goed onderling vertrouwen. Het gebeurde maar al te vaak, dat mensen werden "aangegeven" en vervolgens werden opgepakt. Het was bijvoorbeeld ten strengste verboden om een radio te bezitten omdat het hiermee mogelijk was om naar Radio Oranje te luisteren, welke vanuit Engeland opereerde. Natuurlijk had Piet een radio en die werd s' avonds aangezet om de verboden uitzending te beluisteren. Buurman Smids kwam achter over de muur geklommen en bovenbuurman v.d. Wansem en overbuurman Welling waren ook van de partij. Toch lekte het uit en op een avond kwam een Duitse patrouille van 3 man het huis binnenvallen op zoek naar de radio. Lies had de radio altijd op de ouder slaapkamer staan op een stoel achter de deur met haar kamerjas er overheen. Zij vroeg de Duitsers om de slaapkamer van de jongens te ontzien, maar dat was koren op de molen, want de Duitsers liepen onmiddellijk naar deze slaapkamer en hebben zelfs onder de matrassen gekeken van de twee jongens, die daar al lagen te slapen.
Bij haar slaapkamer hebben ze alleen maar even naar binnen gekeken en niet gezien wat er zich achter de deur bevond.

Dinsdagmiddag had Piet zijn vrije middag en dan ging hij vissen. Samen met een kennis gingen ze met een roeibootje de Waal op om daar van de rust te genieten. Het vissen was voor hem niet eens zo belangrijk als wel de rust die er van uit ging. Hij heeft later (1953) daar Theo Koster ook leren vissen. Overigens moest Theo af en toe wel opbreken om bier te gaan halen.
Op dinsdag 22 februari 1944 zag hij vanaf de Waal geallieerde vliegtuigen boven Nijmegen zakken en bommen uitwerpen. De gehele binnenstad van Nijmegen werd verwoest en er zijn daarbij zo'n 900 mensen om het leven gekomen. Ook het café van Oma Cloosterman werd getroffen en totaal verwoest. Wonder boven wonder hebben oma en tante Bets het overleefd en kwamen s' avonds totaal berooid op de Dommer aan. Aan hun kleding hing een enorm vieze brandlucht. Oma Cloosterman en tante Bets zijn later in de van Berchenstraat 34 ingetrokken (mei 1945 tot 1947) bij haar zus Bets, de man van Jan Faber.

Oma Cloosterman is nadat haar dochter Bets is getrouwd met Theo Bruijns bij haar dochter Bets ingetrokken. Tante Bets en oom Thé hadden een slagerij in de Grotestraat naast de bakkerij van oom Albert Cloosterman.
Later zijn ze verhuisd en een slagerij begonnen op de St. Jacobslaan.

Oma Cloosterman is later in het Oud Burgergasthuis geplaatst, dat toen nog bij het oude politiebureau in de Molenstraat was gevestigd. De Cloostermannen zijn in het bezit van het Oud Burgerrecht van Nijmegen. Dit Oud Burgerrecht is op 23 maart 1746 verleend aan scheepstimmerman Teunis Cloosterman en die getrouwd was met Maria Peeters. Al in vroegere tijden bestond het Oud Burgergasthuis, een voorloper van het bejaardenhuis. Een Oud Burger kon in dit tehuis geplaatst worden. Tante An (oudste zus van Piet), die in Amsterdam heeft gewoond, heeft ook nog in het Oud Burgergasthuis gewoond. Oma Cloosterman leed ernstig aan ouderdomssuiker en bij haar is zelfs nog een been afgezet.

Tijdens de middagmaaltijd op zondag 17 september 1944 kwamen er enorm veel vliegtuigen over en iedereen liep van tafel om buiten te gaan kijken. Intussen hoorde Pietie (1942) ook tot de inboedel. De lucht zag zwart van de vliegtuigen. Nauwelijks buiten sloeg de eerste granaat al in op het dak van de Christus Koningkerk: De Duitsers waren vanuit het noorden begonnen om Nijmegen te beschieten. De slagerij op de Dommer beschikte over een enorme kelder waar vlees gepekeld werd en hammen gedroogd werden. In korte tijd werd deze kelder tot leefruimte omgetoverd. Er werd geslapen op losse matrassen. De avond was nauwelijks gevallen of het huis van de familie van de Kemp in de Fortstraat werd door een voltreffer geraakt en dit grote gezin met zo'n 12 kinderen werd in de kelder van Piet en Lies ondergebracht. Ook de familie Welling (overbuurman) was ondergebracht in de kelder.

De heer en mevrouw Welling hadden 4 kinderen (René, Joop, Fried en Lies) Lies is nog de enige die in leven is. Albert heeft telefonisch contact gehad met Lies, die inmiddels 83 jaar is en in Engeland woont. René zat in een Duitse krijgsgevangenis en is in november 1944 teruggekeerd. Joop was werkzaam in Utrecht. Mevrouw Welling, Lies en Fried zijn bij de eerste granaatinslag onmiddellijk in de kelder van Piet ondergebracht. Mijnheer Welling was gewond geraakt en lag in het ziekenhuis. Mevrouw Welling had twijfels of ze het gas wel had uitgedraaid en Lies Welling zou snel naar de overkant gaan om dit te checken. Toe ze wilde oversteken kwamen er twee Amerikaanse soldaten tevoorschijn. Zij behoorden tot een parachutisten regiment dat boven Groesbeek was gesprongen en enigszins uit de koers waren geraakt. Zij vroegen Lies of zij wist waar er Duitsers zaten. Lies heeft ze verteld, dat er Duitsers zaten in het Canisius College op de Berg en Dalseweg. De Amerikanen vroegen om onderdak voor de nacht en Piet heeft ze toen in de kelder opgenomen

Het wemelde in Nijmegen nog van de Duitsers en hulp aan de geallieerden bekocht je met de dood. Toch nam Piet het risico en bracht deze Amerikaanse jongens (zij kwamen uit North Carolina) in veiligheid in zijn kelder. De volgende ochtend zijn deze jongens vertrokken en werd besloten tot evacuatie. Alles wat kon rijden (gemotoriseerde middelen waren er niet) werd volgeladen met kleding en uitrustingen voor de nacht. Pietie werd op de bepakking geplaatst en hoefde niet te lopen. De rest begon aan de barre tocht, die voerde naar Maas en Waal.

De eerste nacht van de evacuatie werd doorgebracht in een beschadigd huis, waar het dak van afgeschoten was en de familie Cloosterman werd op zolder ondergebracht. Door het open dak kon je de luchtgevechten volgen tussen de Geallieerden en de Duitsers.
Uiteindelijk werd er onderdak gevonden bij kleermaker van Cuyk in Winssen. Deze kleermaker had een soort werkplaats op de begane grond, welke door de familie Cloosterman als tijdelijk onderkomen mocht worden gebruikt. Piet Cloosterman ging iedere dag op de fiets naar Nijmegen omdat hij de zaak niet alleen wilde achterlaten en toch ook nog wat probeerde te verkopen. Het siert hem, dat hij deze moeite nam en zijn gezin in veiligheid heeft gebracht.

Zo is het hem overkomen, dat hij op de Groesbeekseweg reed om terug te keren naar Winssen en dat hem een jeep met Engelse soldaten tegemoet kwam rijden.
Plotseling viel er een granaat en hij vertelde later, dat er niets meer over was van de jeep met inzittenden. Totaal overstuur kwam hij in Winssen aan.

Lies was ondertussen 2 maanden in verwachting van dochter Marianne. Intussen was Nijmegen bevrijd door Canadese, Engelse en Amerikaanse troepen en keerde de familie terug naar Nijmegen. Het gevaar was echter niet geheel geweken, want de Duitsers namen Nijmegen nog onder vuur met de zogenaamde V2 raketten.
Op verzoek van Grad van Gelder werd er daarom intrek genomen in de kelders onder het huis op de Graafseweg. Er was hier ook een andere familie ingekwartierd: de familie van Hout uit Zetten en dit waren allemaal dames. Het uitkleden moest s' avonds ook in diezelfde kelder gebeuren en Piet en Wim van Gelder Sr. werden door Grad gesommeerd om hun hoofd onder de dekens te houden om niet op verkeerde gedachtes te komen. Tijdens dit verplicht verblijf in de kelder was er ook nog sprake van een sterfgeval: de moeder van de dames van Hout kwam te overlijden en dat betekende, dat de slaapruimte gedeeld moest worden met het stoffelijk overschot. Mevrouw van Hout heeft enkele dagen boven aarde gestaan, want een onmiddellijke begrafenis was niet mogelijk.

Intussen was Marianne geboren en Piet Sr. was enorm blij en trots op zijn eerste dochter. Marianne stond in een wieg in de eetkamer op de begane grond. Tijdens een middagmaal vielen er in de naaste omgeving V2 's neer. Deze V2's maakte een grommend motorgeluid en dit was van verre al goed hoorbaar. Zo gauw het stil werd, moest je maken, dat je wegkwam, want dan was de motor uitgeschakeld en kwam hij naar beneden. Tijdens het inslaan vluchtte iedereen naar beneden en toen was de paniek groot, want Marianne was boven blijven staan. Uiteraard werd zij toen ook onmiddellijk naar beneden gehaald.
Voor Piet en Lies was het belangrijk dat hun kroost toch onderwijs kreeg en zo werd er bij Jan Biessels de kolenboer (tegenover Grad en Marie van Gelder) in een van de loodsen een schooltje geopend waar aan een stuk of 6 kinderen door een van de dames van Hout les werd gegeven.

Tijdens de evacuatie naar Maas en Waal zijn ook mevrouw Welling en Lies meegegaan.
Lies is later regelmatig terug gegaan naar Nijmegen om haar gewonde vader op te zoeken. Mevrouw Welling had natuurlijk ook geen rust en zij is toen vrij snel teruggegaan naar Nijmegen waar ze in de kelder van Piet samen met haar dochter Lies is ondergebracht. De buren van de familie Welling was de familie Kersten, waar in augustus 1944 een meisje (Elly) was geboren. Mevrouw Kersten had onvoldoende borstvoeding en dus moest er voor babymelk gezorgd worden. Via, via werd vernomen, dat er op de Burchtstraat nog een zaak open was die over babymelk beschikte. Lies meldde zich als vrijwilliger om naar de stad te gaan. Toen zij op de Burchtstraat aankwam stonden de winkelier en zijn vrouw op het punt om ook te vertrekken. Zij zeiden pak maar wat je nodig hebt, want wij gaan nu. Aan de overkant was een restaurant gevestigd en Lies dacht zich te herinneren dat dit ’t Silveren Seepaerd was. Of dit juist is, lijkt onwaarschijnlijk, want dit restaurant was tijdens het bombardement van februari 1944 volledig verwoest.


De ruïne van café-restaurant ’t Silveren Seepaerd na het bombardement van februari 1944
(Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen).

Lies zag dat uit het betreffende restaurant, dat inmiddels ook verlaten was door twee Amerikanen een piano naar buiten werd gesleept, welke midden op de Burchtstraat werd geïnstalleerd. Een derde soldaat (een neger) begon tussen alle chaos door een boogiewoogie te spelen. Lies is veilig en wel met de melkvoorraad thuis gekomen en heeft op die manier het leven van Elly Kersten gered. Elly woont nog steeds in Nijmegen.

Lies wist zich ook nog te herinneren, dat de Dommer vol stond met tanks en waarvan de kanonnen gericht waren op Duitsland. Toen de granaatinslagen op Nijmegen wat afnamen wilde Lies weer thuis gaan slapen en zij had haar slaapkamer zo goed als zo kwaad dat ging weer netjes ingericht. Toen de granaten weer begonnen te vallen is ze toch maar weer teruggekeerd in de kelder van Piet en maar goed ook, want het huis van Welling werd door een granaat getroffen, die dwars door het dak is heen gegaan en haar kamer heeft gepasseerd. De granaat kwam achter in de tuin terecht, maar was een blindganger en is niet ontploft.

Bij de familie Welling waren ook drie officieren ingekwartierd. In Nijmegen was inmiddels een bataljon Engelse militairen aangekomen, die in Normandië waren geland en voor het eerst wat rust kregen. Voor die jongens moest voor ontspanning gezorgd worden en zo werd Lies gevraagd om deel te nemen aan een dansmiddag, die voor deze jongens was georganiseerd.
Lies was toen 16 en mevrouw Welling wilde daar in eerste instantie niets van weten. Na veel aandringen van buitenaf kreeg Lies toestemming en leerde daar George kennen , die ingedeeld was bij de RIMI, een herstelcompagnie. Lies is in 1950 met George getrouwd.
George is inmiddels overleden, maar Lies woont nog steeds in Engeland, waar ook haar kinderen wonen.

Toen de tanks werden terug getrokken keerden de bewoners geleidelijk aan weer terug.
Opvallend was, dat er in de huizen die niet afgesloten waren geweest niets ontvreemd was, een compliment voor onze geallieerde vrienden!

Het normale leven kwam langzaam maar zeker weer op gang en is ook de familie Cloosterman weer naar de Dommer teruggekeerd. Door het oorlogsgeweld waren er veel ruiten gesneuveld en glas was er nauwelijks te krijgen. De ramen bestonden dan ook uit triplex met kleine ronde ruitjes ter grootte van een rijksdaalder waar door je naar buiten kon kijken.

Begin mei 1945 werd Géke ziek; hij klaagde over enorme buikpijn. De dokter kwam er bij, maar kon ondanks de hoge koorts toch geen diagnose stellen. S' avonds spuugde Géke een soort van ontlasting uit en toen hebben Piet en Lies onmiddellijk transport geregeld zonder verdere tussenkomst van de huisarts naar het Canisius Ziekenhuis in Nijmegen, waar het jongetje s' nachts aan een buikvliesontsteking is overleden. Degenen, die kinderen hebben, kunnen zich voorstellen wat het betekent om een jochie van 6 jaar oud te moeten verliezen. Géke werd begraven op het Kerkhof op de Daalseweg, terwijl iedereen uitzinnig van vreugde de bevrijding vierde. In die tijd was het ook nog moeilijk om een plaats op het kerkhof te krijgen. Géke is toen bijgelegd in een graf van het zusje van Annie Faber. Het graf is er niet meer. Piet en Lies hebben hier een enorme opdonder mee gekregen en Lies heeft altijd gezegd: "een man verliezen is erg, maar met het verlies van een kind valt niet te leven".


De strenge winter van 1942.
Slager Piet met zijn 2 zonen Géke († 1945) en Albert.
Hoek Dommer van Poldersveldtweg en Fortstraat.

De eerste jaren na de oorlog boden voor de jeugd weinig toekomst. Bovendien was er ondanks het harde werken nauwelijks sprake van enige luxe of wat extra's. Piet en Lies vatte het plan op om te gaan emigreren en wel naar Australië. In die dagen waren er ontzettend veel Nederlanders, die een nieuwe toekomst zochten in Australië of Nieuw Zeeland.
De overtocht was praktisch al geregeld.
De bedoeling was, dat Albert in Nederland zou blijven en bij Grad en Marie in huis zou worden opgenomen totdat hij de middelbare school zou hebben afgemaakt. We zijn inmiddels in 1951. Opa en Oma van Gelder hadden er ontzettend veel moeite mee, dat hun kinderen en kleinkinderen zouden gaan vertrekken. Ook de broers van Piet Sr. hadden hier moeite mee. En zo gebeurde het, dat zijn broer Albert op een avond met het voorstel kwam om samen in Nijmegen een lunchroom/ cafetaria te beginnen. Albert stopte dan met de bakkerij, die hij op de Grotestraat in Nijmegen had. Na enig nadenken besloten Piet en Lies om op dit voorstel in te gaan, waarbij zij wel de slagerij zouden aanhouden.
"Centrum Expresse" op Plein '44 werd op 4 oktober 1951 geopend.


Plein ’44 in 1952
Links: cafeteria /lunchroom Centrum Expresse, rechts: schoenenzaak Holland

Er is een brief teruggevonden van een mijnheer J.J. Aalders uit het plaatsje Fern Tree Gully, Victoria in Australië, gedateerd 12 januari 1952. Deze Aalders schrijft aan Piet, dat hij hem geluk wenst met de opening van de nieuwe zaak en verder, dat het de eerste jaren erg moeilijk zou zijn geweest in Australië. Het grootste probleem waren de financiën, omdat men vanuit Holland maar een beperkt bedrag aan geld mocht meenemen. Verder zegt hij in zijn brief, dat een harde werker zoals Piet het in Australië zeker gered zou hebben, maar dat de heimwee voor Lies wel eens fataal had kunnen zijn. Aalders zou voor geen goud terug willen, maar zou wel o zo graag zijn familie nog eens terug willen zien.

Het leven met twee zaken werd er bepaald niet rustiger op. Overdag was het de slagerij, waarbij oom Albert en tante Nelly "Centrum Expresse" overdag runde en Piet en Lies de avonddiensten bemanden. Piet leverde ook het vlees aan "Centrum Expresse" en meestal moest dit s' avonds laat nog aangeleverd worden.

Het gebeurde regelmatig dat Albert uit bed werd gehaald om per fiets de bestelling op Plein ’44 te gaan afleveren.

Het gezegde "familie en vis blijven maar 3 dagen goed" werd bewaarheid en alras ontstonden er forse aanvaringen. Het resultaat was, dat Piet uit "Centrum Expresse" stapte en oom Albert alleen doorging.


De familie Cloosterman 1948. Wim was nog niet geboren en is er bij gezet.
Foto is gemaakt door Fotograaf Verheijen, die toen nog in de Fortstraat zijn atelier had.
V.l.n.r. Wim, Albert, Gé, Vader Piet, Marianne, Moeder Lies, Elly (had de bof) en Piet.

Piet Cloosterman was een slager van de oude vakinhoudelijke stempel. Hij kocht halve beesten, beende alles zelf uit, maakte worst en rookte die in een eigen rokerij. Vet werd gesmolten en afgevuld in speciale papieren hulzen. De mensen in die tijd gebruikte veel vet, soms zelfs om het gewoon op het brood te smeren.

Piet en Lies waren gelovige mensen. Dikwijls liet Piet gratis vlees bezorgen bij de nonnen van Koningsgaard in Berg en Dal. Deze nonnen waren slotzusters en kwamen nooit buiten en lieten zich ook niet zien. Als je wat kwam brengen moest je het meegebrachte in een soort bak doen, die dan naar binnengetrokken werd. Een stem klonk dan: "God zegene u".
Wim van Gelder Sr. heeft ook eens op vraag van Piet daar wat vlees naar toe gebracht en kreeg te horen, dat de zusters de lege pan op het fornuis hadden gezet en naar de kapel waren gegaan om te bidden dat er wat in de pan zou komen. Hun gebed werd verhoord.

Piet Sr. was een enthousiast aanhanger van Quick Nijmegen en ging dikwijls zondagmiddag naar het voetballen kijken op de Hazenkamp.

Vakanties kende Piet en Lies Cloosterman niet. Een keer is Lies met Oma van Gelder met de jongste kinderen een weekje op vakantie geweest in Rockanje. Dit was in 1957 en in die week heeft Lies een brief van Piet ontvangen, waarin hij over de hele bladzijde had geschreven: "Hier is alles goed. Veel liefs, Piet".
Piet Sr. en Piet Jr. zijn in de tweede week nog naar Rockanje gekomen.
Niemand kon toen nog voorzien, dat Piet Sr. enkele maanden later zou overlijden.

Rond 1952 kwam Theo Koster in dienst. Daarvoor was Chiel van Dinter in dienst geweest.

Chiel is voor zichzelf begonnen en wel met een verhuisbedrijf, dat op de Daalseweg gevestigd was. Theo was nog onervaren, maar heeft het vak bij Piet geleerd. Met respect en dankbaarheid ziet Theo terug op deze tijd. Hij kreeg van Piet ook de gelegenheid om de slagersvakschool te bezoeken. In het eerste jaar bracht Theo als slagersjongen de bestellingen rond op een bakfiets en dat is in Nijmegen met klanten als de Landstichting zwaar fietsen. In die tijd waren Indonesische Nederlanders, die uit Nederlands Indië waren gerepatrieerd, ondergebracht in hotel Mariënboom. Deze mensen hadden voor ons vreemde eetgewoontes. Theo herinnert zich nog dat hij regelmatig een bakfiets vol met orgaanvlees, longen en ingewanden als bestelling daar moest afleveren.

Piet heeft in 1953 een Sparta transport bromfiets aangeschaft, die gekocht is bij de fietsenmaker Kersten boven aan de Dommer vlak bij de Tooropstraat.

Op maandagmorgen ging Piet altijd naar de veemarkt om een koe te kopen. Elke week had hij een koe nodig. Hij kocht de koeien altijd bij Jan Bruijns, die in de van Berchemstraat woonde en getrouwd was met een nicht van Piet: Annie Faber. Jan Bruijns had een groot weiland waar de koeien liepen en Piet koos op zijn slagersoog de koe uit die hij wilde hebben.
De koe werd naar het abattoir gebracht en de geslachte koe werd in twee delen op de Dommer thuis bezorgd. De ene helft op dinsdag en de andere helft op donderdag. Bij Huub van Swelm (een oom van de vader van Ron van Swelm, die met Elly is getrouwd) werden 2 à 3 varkens per week gekocht.

Het versjouwen en uitbenen van een halve koe was een hels karwei en er werd ook vlees afgesneden voor het maken van worst.
Piet maakte alle soorten worst zelf in de worstkeuken en had ook een rokerij.
Regelmatig stuurde hij worsten in naar de slagersvakschool in Utrecht waar de worsten werden gekeurd. Er vond vervolgens een prijsuitreiking plaats, waar Piet samen met Theo naar toe ging. Piet heeft heel wat prijzen in de wacht gesleept.

Na het uitbenen bleven veel botten over, die regelmatig werden afgevoerd naar een lijmfabriek. Elke vrijdagavond werd er door Lies een enorm stuk rosbief gebraden, welke zaterdag vers gesneden werd voor de klanten. Ook stond Lies vrijdagsavonds uren aan de telefoon om klanten te bellen om hun bestellingen te noteren welke zaterdags dan thuis bezorgd werden.

Piet had een enorm grote kelder onder de slagerij. Daar stonden pekelbakken, waarin de hammen werden gepekeld. Regelmatig moest de pekel ververst worden en de aangemaakte pekel werd eerst gekookt in de worstkeuken en vervolgens in emmers naar de kelder afgevoerd. Theo herinnert zich, dat dit zeer zwaar werk was.

Theo is begin 1956 in militaire dienst gegaan en toen is Piet Boeien in dienst gekomen.

Tevens kwam Jan Strik, die een slagerij had gehad op de Groenestraat voor 2 à 3 dagen in de week assistentie verlenen. Dit was nodig, omdat de gezondheid Piet steeds meer in de steek liet. Hij had last van zijn arm- en borstspieren (spierziekte) en naar verloop van tijd had hij nog nauwelijks de kracht om het vlees te snijden en te bewerken. Hij moest op het laatst zijn lichaamsgewicht gebruiken om nog tot snijden te komen. De kinderen werden ingezet om mee te helpen. Marianne herinnert zich nog, dat zij achter de snijmachine voor vleeswaren heeft gestaan en dat zij de kassa bediende. Albert en Piet jr. hielpen zaterdags mee met het rondbrengen aan klanten. Het schrijven viel Piet ook steeds zwaarder en Marianne schreef de rekeningen uit, die Piet dicteerde. Als dank voor deze inspanningen kreeg Marianne een horloge. Onlangs is bij een inbraak bij haar thuis o.a. ook dit horloge gestolen. Inbrekers realiseren zich niet de emotionele waarde van een dergelijk voorwerp!
Piet bleef door dik en dun vader van zijn kinderen. Ondanks zijn slechte gezondheid nam hij de bus naar het Canisius Ziekenhuis om Marianne op te zoeken, die daar lag vanwege een operatie aan haar ogen (1956).
De situatie bereikte een dieptepunt in november 1957 toen hij ten prooi viel aan de A griep en daarbij ook nog een longontsteking kreeg. Albert, die op dat moment stage liep bij Shell in Amsterdam werd gebeld om naar huis te komen. Op het station is hij afgehaald door Wim van Gelder, die hem naar het Radboud Ziekenhuis heeft gebracht en waar Albert de hele nacht bij hem is gebleven. Hij kreeg via een slangetje zuurstof toegediend en wist ondanks de ernst van zijn ziekte toch nog humor op te brengen door tegen de zuster te zeggen, dat hij er wat knapper zou bijliggen als ze zijn snor (plakband aan het slangetje) eens even fatsoeneerde.

Albert werd s' morgens afgelost door Lies. Enkele uren later kwam Lies huilend naar huis:
Piet was overleden en dat gebeurde op zaterdag (20 december 1957) enkele dagen voor de drukke tijd van Kerst.
Piet is veel te jong gestorven: hij was pas 51 jaar.
De dagen, die daar op volgde waren voor Lies verschrikkelijk. De zaak moest doordraaien, terwijl ze eigenlijk aan het eind van haar krachten was. Gelukkig werd er vanuit de familie hulp geboden. Met de Kerst vond de familie rust op de Landstichting, waar de paters Montfortanen het gezin hadden uitgenodigd om de H. Mis bij te wonen en daar ook te eten.

Piet Sr. had geen opvolgers. Geen van de jongens had belangstelling voor de slagerij.
Hoewel Albert had aangeboden om met zijn studie te stoppen om te komen helpen, wilde Lies hiervan niet weten. Zij wist kennelijk beter dan wie ook wat voor een leven dit betekende en wilde haar jongens daarvoor behoeden. Lies zette de zaak alleen door, maar moest voor de vakinhoudelijke kant terugvallen op hulp van buiten. Intussen had Theo Koster zijn militaire dienstplicht er op zitten en was hij in dienst getreden bij een andere slager. Lies heeft hem benaderd en gevraagd terug te komen, hetgeen hij ook gedaan heeft.

Uiteindelijk bleek en de opvoeding van haar kinderen en het runnen van de zaak haar te zwaar te zijn. In overleg met broer Wim is ze uiteindelijk tot het besluit gekomen om te stoppen en de zaak te verkopen. Slager Derksen heeft het bedrijf toen overgenomen. De zaak later is overgenomen door de zoon van Derksen. De slagerij is er niet meer.

Lies kwam toen te wonen op de Jozef Israëlsstraat 20.
Zij was een vrouw, die weinig nodig had en zeker voor zichzelf geen enkele luxe permitteerde.
In deze jaren was zij enorm gastvrij en de jeugd mocht er ook allerlei feestjes organiseren. Met carnaval stond haar huis open voor talrijke logees en na afloop van een carnavalsavond was het traditie om bij "Lieske uit de schildersbuurt" nog een flinke uitsmijter te gaan eten. In die tijd ondernam ze ook nog veel. Zo is ze nog eens met een tankwagen van Brinkers vanuit Wijchen mee naar Rozenburg, waar Albert woonde, komen rijden en heeft ze nog een reis naar Lourdes gemaakt onder leiding van de paters Montfortanen. Tijdens haar verblijf in Lourdes is er op de Jozef Israëlsstraat door de jongelui een enorm feest opgezet, waarbij Marianne voor het eerst haar Eef heeft meegebracht, die nog altijd goede herinneringen heeft aan de door slager Kersten meegebrachte worst: de zogenaamde "wurst van Kersten". Gé en Elly waren gecharterd voor de bediening en Wim was uitbesteed.

Velen van ons kennen Lies nog van deze betere tijden. De littekens van haar vroegere leven hebben haar doen vereenzamen: de communicatie verslechterde en zij verbitterde. Zij zorgde slecht voor zichzelf en de hulp werd ingeroepen van "Tafeltje Dekje" en van zelfs een wijkverpleegster. Alleen wonen werd onmogelijk en dus moest zij geplaatst worden in een verzorgingshuis. Helaas bracht dit de nodige problemen met zich mee. Haar hele leven lang was het een vrouw geweest die kordaat moest optreden en zich nooit de wet liet voorschrijven. Van de regels, die in het huis moesten worden gehanteerd, trok ze zich niet veel aan en ze weigerde soms om geholpen te worden.
Overplaatsing naar het verpleegtehuis St. Joachim en Anna werd onvermijdelijk. Zeer onverwacht is ze plotseling aan haar einde gekomen met niet meer dan een kamer, die ze met drie personen moest delen, een bed en een nachtkastje.

Voor degenen, die haar in haar goede doen gekend hebben: het was een zakenvrouw met een duidelijke eigen wil, maar daarnaast een zorgzame moeder met name in de moeilijke oorlogsjaren en ook in de jaren nadat ze alleen was komen te staan. Lies is 82 jaar geworden en ligt samen met haar Piet in één graf op het Kerkhof Jonkerbos te Nijmegen.


Piet Cloosterman in zijn goede jaren.


Na het overlijden van Piet heeft Lies samen met Theo Koster (links) en Piet Boeien de zaak nog 1½ jaar voortgezet.

Stamboom van de familie Cloosterman

Door Ron van Swelm is een stamboom gemaakt welke teruggaat tot +/- 1560.
De naam Cloosterman is pas rond 1630 ontstaan en de familienaam was vóór die periode Gijssen:
Petrus Gijssen (+/- 1590 tot +/- 1677) heeft de naam Cloosterman geïntroduceerd, omdat hij pachter was van de grond van het Agnetenklooster in Neerbosch.

Johannes Hubertus Cloosterman * 23-03-1871 † 06-03-1912
x 1897 Johanna Biessels * 20-09-1871 † 03-03-1959
Opa en Oma Cloosterman hadden 8 kinderen:

  1. Johannes Hubertus Antonius * 14-02-1899 † 16-12-1972 (Oom Albert)
    x Petronella Maria Cornelissen (Tante Pietje)
    Geen kinderen
  2. Gradus Petrus Joseph * 09-03-1900 † 05-10-1974 (Oom Gerrit alias Generaal Goedkoop)
    x Bertha Wilhelmina Brindöpke
    Geen kinderen
  3. Antonia Petronella Maria * 26-01-1902 † 26-02-1902
  4. Antonia Petronella Maria * 26-01-1903 † 1980 (Tante An)
    x Johannes Franciscus de Nijs (Oom Jan)
    1 kind: Wilhelmus Hubertus Maria de Nijs * 31-03-1931 (Wim) x Mary van Kampen
  5. Elisabeth Theodora Josephina * 23-03-1905 † ?
  6. Petrus Johannes Theodorus (Piet Cloosterman, de slager) * 04-10-1906 † 20-12-1957
  7. Johannes Antonius * 06-01-1908 † 22-03-1982 (Oom Jan de bakker)
    x Cecilia Adriana Burgers * 12-01-1915 † 10-04-2002 (Tante Ciel)
    4 kinderen en 2 kleinkinderen
  8. Elisabeth Maria Josefina * 17-07-1909 † 17-03-1989 (Tante Bets)
    x Theo Gerardus Bruijns * 24-02-1909 † 15-05-1986 (Oom Thé)
    2 kinderen en 4 kleinkinderen

Petrus Johannes Theodorus Cloosterman * 04-10-1906 † 20-12-1957
x 05-05-1936 Elisabeth Mechtilda Maria Wilhelmina van Gelder * 31-08-1908 † 19-08-1990
7 kinderen: geboren op de Dommer van Poldersveldtweg 55 te Nijmegen

  1. Albert (Ap) 2 kinderen en 5 kleinkinderen, waarvan een is overleden
  2. Géke † 12-05-1945
  3. Piet 2 kinderen en 3 kleinkinderen
  4. Marianne (geboren in het St. Canisius Ziekenhuis) 2 kinderen en 5 kleinkinderen
  5. Gé † 14-04-2009 3 kinderen en 2 kleinkinderen
  6. Elly
  7. Wim † 08-08-2010 1 kind en 2 kleinkinderen

Persoonlijke herinneringen van Albert Cloosterman aan de jaren 1940 en 1950 in Nijmegen-oost

Mijn eerste tastbare herinneringen dateren van 10 mei 1940, toen wij ’s morgens vroeg opgeschrikt werden door overkomende vliegtuigen en geweerschoten. De nieuwsgierigheid won het van de angst en we zijn naar buiten gegaan om te kijken wat er aan de hand was.
Op de Tooropstraat trok een lange stoet van zingende marcherende Duitse soldaten voorbij.
De Tweede Wereldoorlog was voor Nederland begonnen.

Op 15 mei 1940 werd de algehele capitulatie van Nederland getekend.
Onze overbuurman mijnheer Welling was adjudant in het Nederlandse leger en is onmiddellijk opgepakt en in een krijgsgevangenkamp geplaatst. In augustus 1940 is hij vrijgelaten.
De eerste maatregelen van onderdrukking werden uitgevaardigd: ’s avonds na 20 uur mocht er niemand meer buiten zijn. Als jongetje van 3 jaar had ik daar geen problemen mee, want ik mocht sowieso ’s avonds al niet meer naar buiten.

Wij zijn niet geconfronteerd geweest met fysiek oorlogsgeweld en zodoende had je als kleuter nauwelijks in de gaten wat Nederland was overkomen.
Als kleuter bezocht je de Montessorischool aan de Hengstdalseweg naast de Christus Koning kerk. Twee jaar later ging ook mijn broertje Géke mee. De winters waren koud en je droeg een muts, die onder je kin werd dicht geknoopt. Het was in die tijd ten strengste verboden om een Nederlandse vlag uit te hangen of zelfs maar in bezit te hebben en oranje was ook uit den boze. Mijn moeder had boven op onze mutsen een oranje bolletje aangebracht. Zelfs in de tram die vol met Duitsers zat werden we met “oranje boven” getolereerd.

Foto 10-Montessorischool Hengstdalseweg 1942 (beweeg de muispijl over de foto om de nummertjes te zien)
1: 2: 3: 4: 5:
6: 7: 8: 9: 10:
11: 12: 13: 14: 15:
16: Albert Cloosterman17: 18: 19: 20:
21: 22: 23: 24: 25:
26: Géke Cloosterman27: 28:

De Montessorischool aan de Hengstdalseweg o.l.v. nonnen. Anno 1942
Vooraan in het midden: Géke Cloosterman. 4e rij (korte rij): helemaal rechts: Albert Cloosterman.
Namen van overige kinderen: onbekend

Qua begeleiding van kleuters is er veel ten goede veranderd. Ik kan mij niet herinneren, dat een van je ouders je wegbracht of kwam ophalen van de Montessorischool. Je ging op eigen gelegenheid. Niet dat je ouders dat niet gewild zouden hebben, maar ze hadden eenvoudig niet de tijd. Daar staat natuurlijk wel tegenover, dat er praktisch geen verkeer was en het dus op straat veel veiliger was. Ook aandacht voor schoolactiviteiten was er toen nauwelijks.
Tegenwoordig wordt er voor groep 3 en 4 zelfs een oma en opa dag georganiseerd en als er wat bijzonders is op school worden sowieso de ouders en soms ook de grootouders er bij uitgenodigd.
Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit mijn grootouders op welke school dan ook gezien heb.

Ook de vrijetijdsbesteding wordt tegenwoordig veel meer onder begeleiding van de ouders en grootouders uitgevoerd. De speeltuinen, dierentuinen en attractieparken worden overspoeld met een begeleiding van ouders en vooral opa’s en oma’s. Dat was er vroeger niet bij.
Zondermeer heeft dit te maken met de kortere werktijden, de hogere welvaart en de eerdere pensionnering, maar ook zijn de ouderen van tegenwoordig veel vitaler dan vroeger. Ik herinner mijn grootouders als bedaarde mensen, die echt niet een partijtje voetbal met je gingen spelen.
Het waren vooral je vriendjes waar je op straat je vrije tijd mee doorbracht.
Dat had wel als voordeel, dat sociale contacten met leeftijdsgenootjes op een natuurlijke wijze werden ontwikkeld. Ook de inventiviteit om zelf iets te ontwikkelen werd van nature aangeboren. Tegenwoordig is de jeugd gefocust op allerlei elektronische spelletjes en vindt de onderlinge communicatie vooral plaats via de mobiele telefoon of door het versturen van sms’jes. Wel kun je vaststellen, dat het intelligentie niveau van de huidige generatie kinderen veel hoger ligt dan in onze jonge tijd.

Op 6 jarige leeftijd ging ik naar de Lagere School. Mijn vader en moeder vonden de St. Jozef school op de Bijleveldsingel de meest geschikte school. Met Corrie Klopper uit de Fortstraat, die toen al in de zesde klas zat, liep ik tweemaal per dag heen en terug naar school. Tussen de middag moest je naar huis om te gaan eten. Overblijven bestond toen nog niet. Het was elke dag een flinke tippel. De woensdag- en zaterdagmiddag waren vrij.

Er werd geschreven met een kroontjespen en het inktpotje bevond zich in je lessenaartje. Je was in het bezit van een inktlapje om af en toe je pen schoon te maken. Ik had de handicap, dat ik linkshandig was en je mocht absoluut niet links schrijven. Dat ging trouwens ook niet met een kroontjespen.

Op 18 mei 1944 heb ik mijn Eerste Heilige Communie gedaan. Een flinke voorbereiding van Godsdienstlessen en oefeningen gingen daar aan vooraf. Voor die gelegenheid werd je ondanks de schaarste keurig in het pak gehesen en de meisjes verschenen als witte engeltjes.
In een lange rij betrad je dan de kerk, die vol zat met ouders en familieleden.
Na de plechtigheid was het thuis groot feest, waarbij er allerlei lekkernijen op tafel kwamen.
Het huis zat vol met gasten. Zelfs pastoor van Crimpen (de voorganger van pastoor Gudde) liet zich niet onbetuigd en kwam ook een borrel drinken.


Eerste Heilige Communie Albert 1944.
V.l.n.r. Géke, Albert en Piet met een inkijk in de Fortstraat

In 1944 zat ik in de tweede klas en toen gebeurde het dat op de ochtend van dinsdag 22 februari Nijmegen door de geallieerden werd gebombardeerd. We hadden een juffrouw als onderwijzeres en die gaf het bevel om onder de banken te kruipen. De paniek was groot en ik heb toen de benen genomen en ben via het Volksbelang naar de Daalseweg gerend. Halverwege bij het kerkhof kwam ik mijnheer Welling(onze overbuurman) tegen die bij de luchtbescherming was en mij achter op zijn fiets verder naar huis heeft gebracht.
De hele binnenstad lag plat en er zijn toen minstens 800 mensen omgekomen. Overbuurman Vergeer is bij het station omgekomen.

Op zondag 17 september 1944 kwamen tijdens het middageten enorm veel vliegtuigen over: Market Garden was een feit. Vanuit het noorden werd Nijmegen beschoten met Duits granaatvuur. De eerste voltreffer kwam terecht op de Christus Koning kerk.
Onze slagerij op de Dommer beschikte over een enorm grote kelder en onmiddellijk werd beddengoed, kleding en eten naar beneden gebracht. Overal rondom hoorde je inslagen van granaten en toen werd ook het huis van de familie van de Kemp in de Fortstraat getroffen.
De hele familie is toen bij ons in de kelder ondergebracht.
Door alle paniek en drukte hadden mijn ouders geen aandacht voor mij en ik herinner mij nog heel goed, dat ik na de inslag op de Fortstraat naar buiten ben gegaan om scherven te zoeken, die overigens nog gloeiend heet waren.

Enkele dagen later zijn we volgepakt lopend naar Maas en Waal vertrokken en hebben toen in Winssen onderdak gevonden. Naast het huis, waar we verbleven lag een groot weiland en al spoedig verschenen daar Engelse cavaleristen met tanks en pantserwagens, die daar enkele dagen op verhaal mochten komen. Als jochie sprak je natuurlijk geen woord Engels en toch had je contact met die Tommies. Voor het eerst van mijn leven heb ik toen Zweeds wittebrood gegeten. Het was alsof je cake kreeg. In het laatste jaar van de oorlog kreeg je regelmatig brood, dat gemaakt was van meel van gemalen erwten. Erg lekker was dat niet.
Nog steeds is wittebrood mijn favoriete brood.
Ook chocolade heb ik toen voor het eerst geproefd en mijn vader genoot van de sigaretten, het merk Player, welke hij van de soldaten kreeg. Na ongeveer een week zijn de jongens weer naar het front vertrokken. Toen Nijmegen in zijn geheel bevrijd was, zijn we weer teruggekeerd en verbleven we in de kelder van mijn opa en oma op de Graafseweg.

Nadat de geallieerden Nijmegen volledig hadden ontzet werden gevangen genomen Duitse soldaten op vrachtwagens gezet en naar het zuiden via de Graafsebrug afgevoerd. Langs de Graafseweg stonden honderden mensen, die de Duitsers uitjoelden en sommigen namen de gelegenheid te baat om emmers koud water over de moffen heen te gooien.

Uiteindelijk zijn we ook weer teruggekeerd op de Dommer en kon het normale leven weer langzaam op gang komen.

In de bossen rondom de Kwakkenberg lag veel kapot materieel en de grotere jongens onder ons wisten uit de wielen van kapotte voertuigen de kogellagers te verwijderen.
Met deze kogellagers werden zeepkisten gebouwd en iedere jongen beschikte wel over zo’n wagentje. We begonnen dan bovenaan de Fortstraat en reden dan met oorverdovend lawaai de Fortstraat af. Bij onze slagerij moest dan de bocht genomen worden om de steile Dommer in te slaan. Op de hoek van de Cederstraat moest je dan vervolgens de bocht nemen om verder uit te rijden en tot stilstand te komen. Meestal haalde je deze bocht niet en schoot je straat op verder de Dommer af. Gelukkig was er nauwelijks verkeer en kwam je er zonder kleerscheuren af. Het karretje werd altijd door 2 jongens bemand, waarbij voorop de bestuurder zat en achterop na aanduwen de tweede jongen er bij opsprong.
Het was een afgrijselijk lawaai en je begrijpt achteraf niet dat de volwassenen deze herrie hebben geaccepteerd. Mijn broer Piet, die inmiddels een jaar of 5 was, mocht ook eens aan het stuur en hij reed pardoes een dame van de sokken die over hem heen viel. Gelukkig kwamen de dame en Piet er zonder kleerscheuren af.
De eigen gemaakte zeepkisten werden ook ingezet om een centje bij te verdienen. De tram reed toen in Nijmegen. Bij de tramhalte boven aan de Dommer op de Berg en Dalseweg stonden we als ervaren taxichauffeurs te wachten op militairen, die met veel bepakking uitstapten. De bagage werd op de zeepkisten geladen en vervoert naar de Prins Hendrik kazerne. Veel verdiende je er niet mee, maar toch…

Een veel gevaarlijker activiteit was om de hulzen van gevonden granaten te verwijderen en er de lange staven zwart kruit er uit te halen. Daar werden rotjes van gemaakt: Een stuk of vijf van die staven werden in krantenpapier gewikkeld. Aan de voorkant stak een stuk kruit naar buiten, dat je dan aanstak. Al sissend vloog het rotje door de straat heen.
Je moet er niet aan denken dat je eigen kinderen zich met dit soort spelletjes zouden bezig houden. En natuurlijk gebeurde er ongelukken. Op het “weidje” onderaan de Dommer werd op een avond een groot vuur gestookt. Iemand gooide er een can benzine bij op. Nanno van Essen uit de Cederstraat, die er vlak bij stond kreeg het brandende goedje over zijn benen.
Beide benen waren verbrand. Gelukkig is hij er goed van hersteld, alhoewel de littekens op zijn benen verschrikkelijk waren.

Het “weidje” was ook uitermate geschikt om te vliegeren. Vliegers maakte je zelf van bamboe stokjes en krantenpapier. We waren er dagen mee zoet.
Na een forse regenbui stond het “weidje” grotendeels onder water en van houten planken werd een vlot gebouwd waarmee we konden varen.
Het “weidje”strekte zich aanvankelijk uit van café Peters tot aan de Hengstdalseweg.
Pas veel later zijn er scholen op dit veld gebouwd. De St. Jozefschool van de Koolemans Beijnenstraat is hier naar toe verplaatst.

Speelgoed hadden we nauwelijks of niet en dus werd er in de jaren ’40 – ’50 veel op straat gespeeld. Er was een enorm arsenaal aan spelletjes voorhanden: touwtje springen, hoepelen, knikkeren, bokspringen, landhakkertje, bussentrappertje, verstoppertje, paaltje schieten (voetballen met een lantaarnpaal als gemeenschappelijk doel), voetballen, knip-scheer of hakmes, wielrennen op oude fietsen, etc.

Mijn eerste echte fiets kreeg ik na de oorlog. De fiets was op de groei gekocht en had blokken op de trappers, zodat je vanuit de laagste stand van het zadel nog bij de trappers kon.
Fietsbanden waren er niet of nauwelijks, maar dat werd opgelost door een smalle houten lat, die om de velg werd gebogen en dikker was dan de gleuf in de velg. Je reed eigenlijk op houten banden.

In de Fortstraat was het transportbedrijf Lentjes gevestigd. Nol van de Kemp en ik mochten vaak mee met chauffeur Lentjes, die straatstenen ergens in de Ooypolder moest afleveren.
Je hielp dan met het handmatig lossen van de stenen en tussen de middag werd bij koud weer in de cabine van de vrachtwagen “geschaft”. We vonden het schitterend om in die grote vrachtwagencabine mee te mogen rijden. Alleen het geluid al.
Het waren Amerikaanse legertrucs, die door de Amerikanen waren achter gelaten.
Het was een rage om lijsten met autokentekens aan te leggen. We gingen dan langs de weg bij de Waalbrug zitten en noteerden de nummers van alle voorbij rijdende auto’s.
Het was natuurlijk nergens goed voor, maar het was een wedstrijd om de meeste nummers te verzamelen. Je kon toen nog aan de letters zien uit welke provincies de auto’s kwamen.

Als het gesneeuwd had in de winter dan werd er in die tijd nauwelijks gestrooid en dus was de Dommer een prachtige baan om sleetje te rijden. De hele jeugd was dan op de Dommer te vinden en met een beetje geluk kwam je pas bij de van ’t Santstraat tot stilstand.
‘S avonds gebeurde het dat de volwassenen ook sleetje gingen rijden. Ik herinner mij nog, dat mijn vader en moeder ook meededen en ook melkboer Peeters met zijn vrouw.
Een lange ladder diende dan voor hen als zitplaats en voorop lag op een priksleetje een van de jongens die zijn benen door de eerste tree van de ladder had gestoken en zodoende de boel kon besturen. En natuurlijk ging het ook wel eens mis en dan lagen de slager en de melkboer met hun vrouwen languit over de weg tot groot plezier van de jeugd.

Kamperen deden we ook. Meestal ging ik met Jan Eefting, die tegenover ons woonde een dagje kamperen in de bossen bij de Landstichting. Ik had van mijn opa een grote kruiwagen gekregen en die werd dan geladen met oude lappen voor het maken van een tent. Er ging zelfrijzend bakmeel, melk en een koekenpan mee. Op een veilige open plek werd er een vuurtje gemaakt en er werden pannenkoeken gebakken van een kwaliteit, die konden tippen aan het product van een pannenkoekrestaurant. ‘S avonds keerden we voldaan en gelukkig weer huiswaarts. Jan Eefting is rond 1952 verhuisd naar Haarlem, maar we zagen elkaar nog regelmatig. Jan is stuurman op de grote vaart geworden. Tussen 1964 en 1968 woonden wij in Rozenburg en als Jan aan wal was kwam hij ons geregeld opzoeken. Via Heerjansdam zijn wij in 1978 verhuisd naar Hazerswoude en wat bleek: Jan woonde met zijn vrouw en 3 kinderen in dezelfde straat. Jan woont nu in Aardenburg (Zeeuws Vlaanderen) en we zien elkaar nog regelmatig.

Op mooie zomeravonden zaten we vaak voor het huis in de kleine tuin. Via openslaande deuren kon je in de tuin komen. De tuin lag veel lager dan het huis en je kon dan via twee brede stenen trappen in de tuin komen. We zaten dan op deze trappen en regelmatig kwam er iemand buurten en een praatje maken. Piet en ik vonden dat berengezellig, maar moesten op een gegeven moment toch naar bed. We sliepen op de eerste etage aan de zijkant van het huis, dat grensde aan het huis van Sars. Vanuit de slaapkamer kon je op het balkon komen en dan keek je schuin omhoog tegen de slaapkamer van Nolly en Sjaantje Sars. Vader Sars had een volkstuin en de buurmeisjes beschikten over een grote voorraad fruit, dat dan naar ons toe geworpen werd.


De Dommer buurt kinderen anno 1947
Achterste rij v.l.n.r. Willie Tromp, Paula Rodermond, ?, Corrie Eefting(†), Jan Eefting,
Riet Heina (†), Maart Heina (†), Wil Huis, Nolly Sars, Albert Cloosterman.
Voorste rij v.l.n.r. Sjaantje Sars?, Liesje Vink?, ?, meisje Baardewijk, ?, ?, Loes Deurloo, jongen Baardewijk, ?

Wij woonden in een kinderrijke buurt en dat betekende dat je veel leeftijdgenoten als vriendjes en vriendinnetjes had. Ik probeer ze allemaal in willekeurige volgorde op te noemen:
Nol van de Kemp, Theo van de Broek, Auke Osinga, Muus Peters, Frankie ? , Jan Eefting, Nanno van Essen. Hans Tromp, Willie Tromp, Rinie Tromp, Nolly Sars, Sjaan Sars, Riet Heina en Diny Peeters.

Samen met Nol van de Kemp was ik misdienaar. Soms moest je de hele week de Mis van 7 uur doen en dat betekende ook dat je nuchter moest blijven. Daarna was het snel naar huis om wat te ontbijten om vervolgens naar school te gaan, hetgeen een half uur lopen was.
De coördinator van de misdienaars was kapelaan Brocken. De kapelaan rookte als een ketter en had altijd een peuk tussen zijn tanden. We noemde hem Piet Peuk. Eens per jaar hadden we met alle misdienaars een uitgaansdag onder leiding van Piet Peuk. Ook de koster ging mee.
Als misdienaar moest je de gebeden van de priester, welke in Kerklatijn werden uitgesproken ook in het Latijn beantwoorden. Deze teksten moest je uit het hoofd leren en eigenlijk wist je niet eens wat alles betekende.
In de Goede Week vóór Pasen moest je teilen vullen met water, dat dan gezegend werd.
De mensen konden dan in de Sacristie hun flessen komen vullen met wijwater.
In diezelfde week werden er palmtakjes uitgedeeld. De overgebleven takjes werden op Aswoensdag verbrand en de as werd gebruikt voor het askruisje, dat de mens er aan moest herinneren dat hij tot stof zou wederkeren.
O.a. met onweer werd een palmtakje in het wijwater gedompeld en werd het huis met wijwater besprenkeld om blikseminslag te voorkomen. Elk katholiek gezin had in huis een wijwaterbakje, dat gevuld was met wijwater. ‘S avonds voor het naar bed gaan stak je de wijsvinger en middelvinger van je rechterhand in het water en maakte je een kruisteken.
Tot en met de zesde klas van de Lagere School ben ik misdienaar geweest. Daarna ben ik naar het Canisius College gegaan en volgens het college reglement mocht je geen functies of lidmaatschappen buiten het college hebben.

Kapelaan Brocken vertoonde om de 14 dagen op zondagmiddag een film. Entree 25 cent.
De film werd vertoond in de Ark en het zaaltje zat altijd propvol met jongelui. Meestal was het een cowboy film en als de “goeien” op winnen stonden dan barstte er een luid gejuich los.

Ook waren we lid van de welpen en ook die samenkomsten op zaterdagmiddag vonden plaats in de Ark. We zaten vlak bij de bossen, dus werden er ook vaak speurtochten in het bos georganiseerd. Er werd enorm veel voor de opgroeiende jeugd door de parochie gedaan, waardoor de jeugd op een positieve manier werd bezig gehouden. Zie het grote aantal jeugd op de foto van de jeugdbeweging Oost Nijmegen.

Later werd door kapelaan Veldman ( niet te verwarren met kapelaan Velthoven) een soort soos georganiseerd in de noodschool op de Acaciastraat. Iedereen, katholiek of protestant, was welkom. Er was een ruime mate van vertier en we zijn daar vaak geweest.

We liepen ook afstandmarsen mee, zoals de Kalorama mars en de Kolping mars. Er moest dan meestal op zondag 25 km gelopen worden. Van te voren trainen vonden we niet nodig.
We deden het gewoon.

Oud papier en zilverpapier verzamelen onder het motto “Oud papier Nieuwe kloosters” werd ook met veel enthousiasme gedaan.


De jeugdbeweging van Oost Nijmegen in de parochie Christus Koning gegroepeerd voor "De Ark"

Het slagerspand op de Dommer had ook twee bovenhuizen waar de families van Uum en van de Wansem woonden. Buurman van de Wansem had een zoon, Gerard genaamd.
Na de oorlog vernamen wij dat Gerard lid was geweest van de ondergrondse beweging en dat hij samen met een paar kornuiten het postkantoor in Nijmegen had overvallen om bonnen te bemachtigen voor de ondergrondse strijders. In die tijd waren levensmiddelen op de bon en je kon dus alleen maar voedsel krijgen tegen inlevering van bonnen en tegen betaling natuurlijk.
Ook is hij betrokken geweest bij het opblazen van een spoorlijn waar Duits treinverkeer op plaats vond. Gerard is op het einde van de oorlog naar Nederlands Indië vertrokken en kwam na 2 jaar terug. Hij reed toen in een enorme slee van een wagen en ik mocht vaak met hem mee om een ritje te maken.

Aan de overkant woonde Wim Vergeer, die voor zijn militaire dienstplicht naar Nederlands Indië moest. Toen hij terug kwam werden mijn ouders en ik een avondje bij Wim uitgenodigd en ik kreeg daar voor het eerst van mijn leven pinda’s.

In Nijmegen – Oost waren er twee voetbalclubs, die hun speelvelden op de Kwakkenberg hadden: Orion Boys en Trekvogels. De meeste van mijn vriendjes waren lid van Orion.
Ik moest lid worden van Union, de club van het college. Aanvankelijk voetbalde wij op een ruw veld achter Hotel Mariënboom aan de Groesbeekseweg. Later kregen we nieuwe velden op de hoek van de Groenewoudseweg en de Groesbeekseweg. En pas veel later heeft Union sportvelden gekregen in Malden. Op zondag speelde je competitie wedstrijden en als je uit moest spelen ging je op de fiets naar bijvoorbeeld Wijchen, Elst, Heumen of Ewijk.
Trouwens bij thuiswedstrijden ging je ook op de fiets naar Malden.
Het was echt niet zo, dat ouders je wegbrachten of als begeleider meegingen.
Je zoekt het zelf maar uit, was het motto. Gele of rode kaarten bestonden er toen nog niet.
Soms moest je eerst de koeien van het veld jagen en je kunt je voorstellen dat je bij valpartijen vaak een zeer zachte landing maakte. Na afloop had je alleen maar koud water ter beschikking om je te wassen. Spartaans!

Zwemmen deden we ook graag en in de zomer waren we vele dagen te vinden in het Wylermeer, waar we met een hele koppel jongens naar toe gingen. Zonnebrandolie hadden we niet, dus we kwamen dikwijls vuurrood terug. Toen was nog onbekend de schade die door langdurig verblijf in de zon aangericht kon worden.
Ook werd er in het Goffertbad gezwommen en als je geen geld meer had dan ging je naar het Maas en Waal kanaal. Ook werd er in de Waal gezwommen en wel aan de overkant in Lent of in de Bisonbaai vlak bij Sprokkelenburg.

In mijn jeugd was er vaak sprake van strenge winters en dan was de hele club dagen lang op de ijsbaan in Ubbergen te vinden. Met een boomtak als stick en een blikje als puck werd er intensief ijshockey gespeeld. Overigens ging je lopend naar Ubbergen, via het zandpaadje de Holle Weg af.
Op de ijsbaan in Ubbergen werd er gesurveilleerd door de paters van het college. We werden toen nog te jong bevonden om met een meisje te zwieren.

Voor ons was een meisje een soort van Heilige Maria en kon niet benaderd worden.
Gelukkig heb ik die houding later snel afgeleerd.

In de jaren vijftig heb ik HBS-b gedaan op het Canisius College aan de Berg en Dalseweg.
Ik was extern en verbleef na afloop van de lessen gewoon thuis.
Naast een aantal leken leraren waren het vooral de paters Jezuïeten, die les gaven.
Er heerste een strenge discipline. Deze discipline werd gehandhaafd door een aantal surveillanten met aan het hoofd een prefect. Tijdens het wisselen van de lessen en de pauzes waren deze surveillanten duidelijk zichtbaar. Elke ochtend was het verplicht om de H.Mis bij te wonen. Je had de keuze van de Mis van 8 uur of van 8.30 uur. Na de Mis van 8 uur kon je het zelf meegebrachte brood opeten in de studiezaal waar dan gratis thee werd geschonken.
De thee had dikwijls een heel vreemde smaak en het verhaal deed de ronde dat een monster van deze thee voor analyse was opgestuurd naar een laboratorium zonder te vermelden wat de inhoud van het potje was. De uitslag was: het paard heeft blaasontsteking.
Als je verzuimd had om de Mis bij te wonen werd je bij latere binnenkomst genoteerd en moest je op rapport komen bij de prefect. Bij een tweede overtreding moest je dan op woensdagmiddag terug komen en dan kreeg je de opdracht om een som uit te rekenen van bijvoorbeeld 65³². Ik heb in die tijd heel wat rekenwerk moeten verwerken.

Het Canisius was een jongens college en met meisjes mocht je geen (langdurig) contact hebben. Ontspanning stond hoog in het vaandel. Er waren allerlei clubs waarvan je lid kon worden: voetbal, hockey, cricket, atletiek, model vliegtuigbouw, toneel, etc.
De toneelvereniging gaf eens per jaar een uitvoering en dan werden de vrouwelijke rollen gewoon door jongens gespeeld. Ook waren er regelmatig concerten, met namen door het Gelders Orkest. Kortom ontspanning was prima geregeld.
Ook de studiebegeleiding was perfect geregeld. In de studiezaal werd er onder leiding van een surveillant de mogelijkheid geboden om huiswerk te maken. Er waren twee mogelijkheden.
Voor degenen, die wat verder weg woonden konden van 17 -19 uur terecht en degenen die dichterbij woonden konden van 19-21 uur hun huiswerk maken.
Meestal was er thuis weinig gelegenheid om je huiswerk te maken.

Al die jaren en dat mag ook wel eens gezegd worden hebben mijn vrienden en ik nooit iets gemerkt van de misbruik delicten, zoals die de laatste jaren aan het daglicht zijn gekomen.
Met veel respect, dankbaarheid en goede herinneringen denk ik nog terug aan de jaren die ik op het college heb mogen doorbrengen.

Op het college kreeg je er natuurlijk vele vrienden bij. Met sommige van deze jongens is er nog regelmatig contact. Dit zijn:
Frans Deflers; Frans woont nu in Alphen aan Rijn en woonde destijds op de Dommer van Poldersveldtweg (tussen de Tooropstraat en de Berg en Dalseweg).
Cees Slaats woont nu in Arcen en woonde toen in de Rembrandtstraat.
Victor Ritschie woont nu in Culemborg en woonde toen op de Broerweg.
Piet van de Broek woont nu in Eersel en woonde destijds in Malden.

Er zijn natuurlijk ook jongens waarmee het contact verloren is gegaan. Ik denk dan aan:
Walter van Venrooy, die in de van Nispenstraat woonde.
Hennie Dinnissen, die in de Jozef Israëlsstraat woonde.
Stef van Berkel, die op de Kwakkenbergseweg woonde.
Ton Hutjes woonde in de buurt van de Ubbergseveldweg.
Na mijn HTS studie in Eindhoven (Chemie en Chemische Technologie) werd ik voor militaire dienstplicht opgeroepen bij de Geneeskundige Troepen in Amersfoort. Tot mijn grote verrassing bleek Ton Hutjes in dezelfde compagnie te zijn ingedeeld en wij sliepen met zo’n mannetje of 30 op strozakken op dezelfde kamer. Op een van de bivak oefeningen op de Grebbeberg moest ik samen met Ton de nachtwacht houden aan de rand van het kampement. We hadden een tweepersoons sheltertje ter beschikking en ieder kon om beurten een tukkie doen. De ander zat in een schuttersputje op wacht. Ton kon als eerste gaan slapen en vond het nodig om zijn geweer mee in zijn slaapzak te nemen, zodat hij bij onraad onmiddellijk bewapend uit de tent kon kruipen. Als je op je eentje in het donker zit te turen dan hoor je van alles en zie je ook van alles bewegen. Rugdekking had ik niet en zag de horde vijanden die van achteren kwam dan ook niet aankomen. Ik kon nog wel veilig wegduiken, maar de tent waarin Ton lag werd onder de voet gelopen. Toen de horde voorbij was hoorde ik Ton onder het platgewalste zeil om hulp roepen. Hij zat met zijn geweer klem in de slaapzak en het tentzeil en kon niet los komen. Ik heb tenslotte los weten te krijgen. Toen we 2 dagen later terug waren in de kazerne lag iedereen in katzwijm van de fratsen van soldaat Ton.
Bij de overplaatsingen uit Amersfoort en dus het afscheid van elkaar is er door Ton voor de staf en alle manschappen een one man show opgevoerd in de stijl van Godfried Bomans en verhaalde hij op zeer komische wijze de lotgevallen van de A- compagnie.
Ton is daarna uit het vizier geraakt.

Nog even terug naar het Canisius College.
De vooruitgang was niet te stoppen en in de eindexamenklas vonden wij het van groot belang dat er wat meer toenadering kon worden gezocht met het vrouwelijk geslacht. We zijn naar de prefect gestapt en hebben het verzoek gedaan om samen met de meisjes van Mater Dei op dansles te gaan. Buiten alle verwachtingen kregen we toestemming om op zaterdagavond dansles te volgen bij de katholieke dansschool de Goey. Zelfs de nonnen van Mater Dei zagen er brood in en zo gebeurde het dat er op zondag middag geoefend mocht worden in de gymzaal van Mater Dei. Wel was het zo dat de meisjes aan de ene kant van de zaal samen met een paar nonnen zaten en de jongens met enkele paters aan de andere kant.
De etiquette vierde hoogtij: je moest keurig naar de overkant schrijden en een buiging maken voor het meisje dat je ten dans wilde vragen. Tegenwoordig gaat het er wel een beetje anders aan toe.

Als wij op vakantie wilde gaan was dat voor onze ouders geen probleem, mits je het benodigde geld zelf maar wist te verdienen. Verschillende jaren heb ik op de dakpannenfabriek van mijn oom Wim van Gelder gedurende 2 à 3 weken gewerkt. Het was zwaar werk. Je moest de kleipannen uit de pers in rekken leggen op de droogzolder waar het gloeiend heet was.
’s Morgens om 7 uur moest er begonnen worden en dat betekende dat ik om 6 uur op de fiets naar Deest moest vertrekken. ’s Avonds om 17 uur was het einde werkdag en dan moest je nog op de fiets weer huiswaarts. De werkweek nam 5½ dag in beslag en zaterdag op het einde van de ochtend kreeg je het weekloon uitbetaald: 35 gulden netto.

De mensen die op de Dommer woonden en het aantal middenstanders

De namen van de buurtbewoners kan ik mij nog vrij goed herinneren.

Te beginnen boven aan de Fortstraat (hoek Tooropstraat):
Gruntjes, de kleermaker
Van de Kamp
Lentjes, transportbedrijf
Tilders, autorijschool
Peters, voorheen Verheijen de fotograaf
Osinga, later een meubelzaak op de Tooropstraat
Van de Kemp
Leenhouts
Toonen, de politie agent
Kuipers, de radiozaak
Wamsteker
Klopper
Heistek
Smids
Roelofs
Pniël, een protestant kerkgebouw
? ? ?

Over het Pniël valt het volgende nog te vermelden. Vaak werd er in de Fortstraat op straat gevoetbald en o wee als de bal over het hek ging bij het Pniël. De beheerder kwam dan naar buiten rennen en pikte de bal in die je niet meer terug kreeg.
Ik schopte natuurlijk ook wel eens een bal over dat hek en ik vond het zonde om die bal kwijt te raken. Dus ik klom als de bliksem over dat hek en wilde door de poort naar buiten ontsnappen. Op dat moment kwam de beheerder aanrennen. Ik kon hem net ontwijken en wist op die manier met bal en al te ontsnappen.
Mijn broer Piet vertelde mij, dat hij in de winter met sneeuwballen steeds probeerde om de “n” te raken en te bedekken.

Hoek Fortstraat/ Dommer/Paulus Potterstraat
Koppers, de muziekschool; voorheen van Rijswijk grondtransport
Cloosterman, de slager
Peeters, de melkboer/kruidenier; later Schippers
De Vries, de groenteboer

Tussen Fortstraat en de van ‘t Santstraat
Van Uum
Van de Wansem
Hartman
Sars
Vink
Barten
Peters, café; later Thieke
’t Weidje

Tussen Paulus Potterstraat en Elandstraat
Kersten
Welling
Vergeer
Heina/Eefting; later van der Griendt
Baardewijk
Van der Broek, schoenmaker
Verhulst, kapper
Van de Berg
Linssen, de bakker

Cederstraat
De Groot
Kersten
Heiltjes
Rodermond, later Breurkens
Van Essen
Van Leeuwen
Lieferink
Kleijn
Tromp
Mulder, later Heina
Rozenboom
Van Os, later Melis
Günterman
Kampschreur, de groenteboer

Opvallend was het groot aantal zelfstandigen in die tijd.
In een straal van 250 meter rondom slagerij Cloosterman was/waren er:
1 smederij
1 steenhouwerij
1 aardappelhandel
1 olieboer
1 kolenboer
4 groenteboeren
3 slagers
3 bakkers
2 manufacturenzaken
2 melkboeren
3 kappers
1 particuliere bibliotheek
1 muziekschool
1 radiozaak
1 schoenmaker
2 sigarenzaken
1 ijscozaak
1 nijlonkous hersteller
1 transportbedrijf
1 autorijschool
1 eierhandelaar
1 kunstschilder

 

REAGEER

Reactie 1:

Cees de Vos, 06-05-2012: Wat een mooi diepgaand verslag van een slagersfamilie. Het hele verhaal in een adem gelezen. Zijnde geen stadsmens heb ik geen kennis aan de slagersfamilie P. Cloosterman. Mijn een jaar jongere broertje werkte als slagersjongen bij een slager aan de Willemweg. Van hem hoorde we nog wel eens het een en ander over het leven in een slagerij. Hij overkwam er een ongeluk, door een stukje van zijn middenvinger te snijden. Risico van het vak pleegt men dat te noemen. Met de bakfiets en grote mand voorop kwam hij, tussen de dienst door, wel naar huis en bracht een stukske wurst mee voor zijn familie.
Complimenten zoon Albert Cloosterman.
Uw vader, “Ere wie ere toekomt”, zou, als hij nog geleefd had, trots op je zijn..!
Cees de Vos - Soest

Reactie 2:

Hans van den Berg, 09-05-2012: Geachte heer Cloosterman,
Het cafe/tapperij waarvan de naam ook aan mij (nog) niet bekend is - had het cafe wel een naam? - lag dan op de plek waar tot voor kort een electronica-/witgoedzaak gehuisvest was, hoek Kroonstraat - Bloemerstraat, postadres Bloemerstraat 111, tegenwoordig hoek Doddendaal - Plein '44.
In de adresboeken van 1909 en 1910/1911 zat daar J H Cloosterman, tapper.
Na de dood van haar man werd de zaak voortgezet door zijn weduwe, verlofhoudster. Op dit adres staat zij als wed. J H Cloosterman ingeschreven vanaf 1912 tot - in ieder geval - 1924, mogelijk nog later.
(NB Als u bij toeval meerdere exemplaren van deze foto bezit, zou ik gaarne en exemplaar van u willen overnemen voor mijn collectie foto's/fotokaarten en ansichten van winkels en horeca in het vooroorlogse Nijmegen.)
Hopende u met vorenstaande van dienst te zijn geweest tekent met vriendelijke groet,
Hans van den Berg

Reactie 3:

Joke van Uden-Breurkens, 09-05-2012: Hallo Albert, met heel veel genoegen heb ik het verslag gelezen, ik had hem van Elly gekregen, en ik stuur hem weer door naar onze Hennie, Trudy en Kees. Met vriendelijke groet JOKE.

Reactie 4:

Albert Cloosterman, 10-05-2012:
Beste Cees de Vos, hartelijk dank voor je sympathieke reactie.
Beste Hans van den Berg, het is heel goed mogelijk, dat het cafe geen naam had. Ik heb slechts een digitale foto, die ook in het verhaal staat.
Met vriendelijke groet, Albert Cloosterman

Reactie 5:

Marijke Kokke van Benthem, 10-05-2012: Hallo Albert, wat een geweldig verhaal over jullie familie. Dat moet een werk zijn geweest. Er zit voor mij ook veel herkenbaars in alhoewel ik iets jonger ben (1950). Leuk om te lezen.
Met groet Marijke Kokke van Benthem
PS Ik vergat nog te vertellen dat ik in de Paulus Potterstraat woonde tot mijn 18e.

Reactie 6:

Albert Cloosterman, 11-05-2012: Hallo Marijke, fijn dat ik een bijdrage heb kunnen leveren aan jouw jeugdherinneringen. Jouw meisjesnaam roept bij mij herinneringen op aan jouw vader, die bij ons het onderhoud deed aan de gasgeiser.
Jij bent van een leeftijd van mijn jongste broer Wim (1949), die overigens twee jaar geleden is overleden.
Met hartelijke groeten, Albert

Reactie 7:

Riet Myronidis-van Megen, 16-05-2012: Beste Albert! Wat een geweldig verhaal! Het is laat op de avond maar je verhaal was zo meeslepend dat ik toch wilde reageren. Ik ken jullie gezin via Elly en heb warme herinneringen aan vroegere tijden.
De slagerij kan ik me als kind vaag herinneren. Echter de tijd in de Jozef Israelstraat heel goed! Jij en Piet waren toen al getrouwd en wij, Elly, Ge en Wim waren de jongste generatie, Marianne had toen al verkering. Ik leerde jullie kennen via Elly, wij zaten in de Dominicanenstraat op dezelfde school. Wat een gezellige feestjes en feestdagen! Dank voor deze leuke herinneringen!
Hartelijke groet, Riet Myronidis-v.Megen

Reactie 8:

Theo van den Broek, 16-05-2012: hoi Albert, met jouw langtermijn geheugen zit het nog wel goed! Wat een geweldig verhaal, veel dingen heel herkenbaar. Voetballen bij jullie voor het huis aan de Dommerzijde op de lantaarnpaal, de bal mocht maar 1x aangeraakt worden. Vlees brengen bij je oom op Plein '44, in de ark o.a. film van Rin-Tin-Tin, de welpen, feestjes in de meisjes-noodschool waar ik o.a. jou examenfeest na het behalen van je H.B.S. diploma heb mogen meemaken. Je heb het over het camperen in de bossen nabij de Sophiaweg. Weet je nog dat wij campeerden achter een huis van genoemde weg en dat er, tijdens het bakken van pannenkoeken, waar overigens meer zand dan meel in zat,er een noodweer uitbrak en wij huilend naar de woning aan de Sophiaweg renden en als verzopen katten weer op de Dommer terugkwamen. Flot bouwen t.o. de kerk in de kuil die daar ontstaan was. En natuurlijk voetballen op het veldje er naast met Ton, Nol van der Kemp, Nanno van Essen, de jongens van Barten, de jongens van Orth uit Elandstraat.
Ik woon momenteel in het stadsdeel "Dukenburg" in de wijk Malvert.

Reactie 9:

Hans van den Broek, 16-05-2012: Hallo Albert, een grandioos verhaal. Ik ben een oudere broer van Theo. Door jouw verhaal komt toch weer een stuk van mijn jeugdjaren terug. Ik heb het met veel plezier en belangstelling gelezen. Ikzelf ben gehuwd met Toos Nielen, een overbuur van de door jou genoemde Frans Defles. Uiteraard ken ik jou nog van destijds.
Het ga je goed en hartelijke groeten van Hans van den Broek

Reactie 10:

Henk van den Broek, 16-05-2012: Hallo Albert. Mijn broer Theo maakte mij attent op jouw geweldig stukje geschiedschrijving. Mijn complimenten. Ik ben geboren in 1942 en leeftijdgenoot van jouw broer Piet. Heel veel van wat jij vermeldt, komt mij bekend voor. Ons gezin, vier jongens en drie meisjes, woonde op de Dommer van Poldersveldtweg 72, waar mijn vader een schoenmakerij, annex schoenenwinkel had. Onze buren waren Van Griendten, die bij de Spoorwegen werkte, en kapper Verhulst.

Reactie 11:

Annie Vermeulen-Peters (*23-10-1946), 16-05-2012: Hallo Albert, prachtig jouw verhaal. Ik woonde tot mijn vijfde op Paulus Potterstraat 37 met mijn ouders en mijn zussen Agnes en Marietje Peters. Ik heb nog een foto van mij gemaakt in 1950 voor de slagerij van Cloosterman aan de Dommer. [klik op de foto voor een vergroting]
Met vr. gr. A.Vermeulen-Peters

Reactie 12:

Albert Cloosterman, 17-05-2012:
Beste Riet Myronidis-van Megen, dank voor je leuke reactie. Als ik aan die tijd terugdenk, dan hadden we veel plezier met eigenlijk weinig middelen. Met heimwee denk ik aan de gezelligheid, die er toen samen met elkaar was.

Beste Hans, Theo en Henk van de Broek, Hans en zeker Theo herinner ik mij nog goed. Henk is een stuk jonger en is van een leeftijd, dacht ik, van mijn broer Wim. Van Hans herinner ik mij, dat hij bevriend was met de slagerszoon van Kempen en Hans van Baal. Mijn broer Wim is getrouwd met een nichtje van Hans van Baal en zij hebben nog een tijd in de Bergansiusstraat gewoond in het huis van oma van Baal. Ik geloof, dat Wim Berens ook tot jullie vriendenkring behoorde. Wim zie ik eens per jaar tijdens de Waalbridge, waaraan ik meedoe samen met mijn broer Piet. Van Hans herinner ik mij, dat hij virtuoos piano speelde en op de pianosnaren een stuk papier schoof waardoor zijn boogie woogies wel heel apart klonken.
Theo is dacht ik een jaar jonger dan ik en wij zijn samen veel met elkaar opgetrokken. Er was toen sprake van een grote vriendenclub.
Als je bij jullie achter door het gangetje ging kwam je bij de werkplaats van je vader uit. Het rook er altijd naar leer en lijm. Met ontzag keek ik dan hoe hij een zool onder een schoen bevestigde. Hij had zijn mond vol met kleine spijkertjes en hij wist elk spijkertje precies op tijd  voor in zijn mond te halen en te pakken, zodat hij aan een stuk door kon blijven spijkeren.
Jullie hadden ook een zus Maggie, die in die tijd ambitie had om zangeres te worden.

Beste Annie Vermeulen-Peters, de foto is inderdaad op de hoek Fortstraat-Dommer van Poldersveldtweg gemaakt. Leuk!

Voor allemaal: de hartelijke groeten, Albert Cloosterman

Reactie 13:

Roland van Essen, 04-06-2012: Geachte heer Cloosterman,
Maandelijkse ontvang ik de nieuwsbrief van Noviomagus. In het stuk dat u over de familie Cloosterman schreef kwam ik de naam van mijn vader (Nanno van Essen) tegen. Uiteraard heb ik het stuk direct naar hem doorgestuurd en hij is er zeer enthousiast over. Hij vond het prachtig geschreven en kwam zeer veel bekends tegen. Hij heeft in 1944/1945 inderdaad ernstig zijn benen verbrand toen een jongen tegen een brandend vat benzine van de Engelse militairen aanschopte. Hij draagt daar inderdaad nog steeds de littekens van. En hij kon meer dan een jaar niet naar school.
Maar het gaat hem uitstekend, afgelopen week vierden wij zijn 75e verjaardag. Ook voor mij (bouwjaar 1960) was het boeiend om over deze omgeving te lezen. We zijn zelf in de Elzenstraat opgegroeid en kwamen veel bij onze grootouders aan de Cederstraat. Mijn vader en mij viel het naar aanleiding van uw stuk op, dat onze leefwereld zich eigenlijk maar tot een heel klein deel van de stad beperkte: in een straal van 600 meter woonden je grootouders, je vriendjes, ging je naar de padvinders en de Kerk (Christus Koningkerk), naar de kleuterschool (Elzenstraat) en lagere school (Hengstdalseweg). Pas op het Canisiuscollege kwam je wat verder van huis. En toch noemen we ons stadsmensen!
Inmiddels woont mijn vader in de buurt van het Goffertpark en wij (drie zonen) zijn allemaal over het land uitgezwermd. Maar we komen nog vaak in onze geboortestad, al is het maar om te wandelen in de groene omgeving.
Nogmaals de complimenten voor uw stuk, u doet er veel mensen plezier mee. En de groeten van mijn vader!
Roland van Essen

Reactie 14:

Albert Cloosterman, 05-06-2012: Beste Roland van Essen, leuk om via jou iets te horen over je vader. Ik ken jouw grootouders van vaders kant natuurlijk goed. Nanno had een zus Wil en een broer Frans, die allebei een stuk ouder waren.
Nanno zat in de van Nispenstraat op school en ik op de Bijleveldsingel. Ik vraag mij af hoe Nanno het bombardement op Nijmegen heeft ervaren en hoe hij toen is thuis gekomen.
Ik ben in 1956 naar Eindhoven vertrokken en kan mij dus maar vaag herinneren hoe het verder met Nanno is gegaan. Wel weet ik, dat hij verkering had met een meisje uit de Elzenstraat en uit het feit dat jullie daar gewoond hebben moet ik vaststellen dat hij ook met dat meisje is getrouwd. Ik denk, dat ik haar ken, maar weet haar naam niet meer.
Rondom de Elzenstraat woonden trouwens vele mooie meiden, waar wij als puberjongens graag mee omgingen. Ik herinner mij bijvoorbeeld nog de meisjes van Francissen.
De groeten aan je vader en bedankt voor je bericht, Albert Cloosterman

Reactie 15:

Nelly Sars, 05-06-2012: Wat heb ik leuke jeugdjaren gehad aan de Dommer van Poldersveldweg met zulke leuke en lieve buren als de familie Cloosterman. Het lezen van het verhaal maakt voor mij alle herinneringen weer levend en bevestigt nog maar weer eens wat een mooie tijd we daar gehad hebben.
Ik ben ook heel dankbaar dat enkele van de familie weer in mijn leven zijn en er regelmatig contact mee heb. De jaren die daartussen liggen met vroeger doen er niet toe, de basis van vriendschap zit zo diep dat je de draad zo weer oppakt. Ik vond het fantastisch om het verslag te lezen en zal dit zeker nog weleens gaan lezen. Heel mooi weergegeven.

Reactie 16:

Nanno van Essen, 05-06-2012: Hallo Albert, Graag wil ik nog wat toevoegen n.a.v. wat mijn zoon Roland van Essen heeft gemaild. Leuk om via dit verhaal van je te horen. Veel van wat je schreef is voor mij herkenbaar. Vaak vroeg ik mij af wat er toch geworden is van de jeugdvriendjes. Leuk dat je nog contact hebt met Jan Eefting. Onlangs vond ik een foto van Jan en mij in welpen-uniform. Cor Klopper heb ik nog weleens ontmoet. Hij is vorig jaar overleden. De reacties op jouw verhaal brengen herinneringen naar boven, o.a. van Theo, Hans en Henk v.d. Broek en Joke Breurkens. Mathieu Mulder, Cederstraat, was 12 jaar toen zijn moeder stierf. Zijn vader overleed eerder. Zijn oudere zus, die al getrouwd was, werd voogdes over hem. Zij besloot met haar gezin te emigreren naar Australië. Mathieu moest mee. Zij vertrokken in 1953. Daarna nooit meer iets van hem vernomen. Gé en Wim zijn ook jong overleden! Vorig jaar zag ik in de Gelderlander een overlijdensadvertentie van Wim en daar kwam ik ook nog jouw naam tegen. Toen dacht ik, hoe zou het met Albert zijn.
Hartelijke groeten, Nanno van Essen

Reactie 17:

Albert Cloosterman, 06-06-2012:
Hallo Nelly Sars, bedankt voor je buitengewoon aardige reactie. Ik begrijp, dat je nog al wat moeilijke jaren achter de rug hebt. Nu de Zon weer voor je schijnt kun je ook met veel plezier terugdenken aan je mooie jeugdjaren.
Hallo Nanno van Essen, bij het noemen van de naam Mathieu Mulder komen allerlei herinneringen naar boven. Mathieu was een echte belhamel en enorm rap. Weet jij nog, dat vlak na de oorlog Engelse soldaten hardloopwedstrijden voor de jeugd organiseerden? Dit gebeurde bij de kleuterschool op de Hengstdalseweg. Ik dacht dat jij er ook aan meegedaan had. Mathieu en jij waren twee gespierde spijkers, die alle wedstrijden wonnen. De zakken van de Engelse soldaten puilden uit van Hollands geld en de winnaars werden rijkelijk beloond.
Groeten, Albert Cloosterman

Reactie 18:

John Leesberg, 13-07-2012: Albert Cloosterman, het hele verhaal over de buurt van de Dommer van Polderveldweg heb ik met belangstelling gelezen.
U heeft er veel gegevens in verwerkt die de levensomstandigheden van die tijd prachtig weergeven. Hiervoor verdient U alle hulde. In de jaren 42-43-44 was ik Gymnasiast bij het Canisius-College en moest iedere dag naar de Mis in de kapel aan de Museum-Kamstraat, net zoals U om 8 uur, ook tijdens de bezetting van het schoolgebouw, de lessen werden gegeven in de school van de Klokkenberg, later schippersschool, nu een bejaardenverzorgingshuis.
De kapel was niet bezet door de Duitsers. Ik was altijd op tijd en kreeg dus geen straf voor te laat komen, ondanks het feit, dat ik 2 maanden lang wegens gebrek aan fietsbanden lopend kwam vanuit de Spoorstraat.
Wel werd ik gestraft voor andere dingen en moest soms op Dinsdag of Donderdagmiddag Latijnse thema's pennen in een ijskoude gang. De meisjes van Mater Dei hadden expres op andere dagen vrij zodat er geen romances konden onstaan.
U zat op de HBS en moest op Woensdagmiddag straf uitzitten zoals U verteld, was dat dan eigenlijk op een vrije middag en was de vrije dinsdagmiddag afgeschaft? Mijn oudere Broer Chris Leesberg was overgegaan naar de vijfde Gym maar moest onderduiken want hij moest voor de Duitsers gaan werken en dat verhipte hij uit principe. (Bij de Fokkerfabrieken die telkens gebombardeerd werden door de RAF). Hij verbleef bij de loondorser Jan Meyer te Malden in BLOKPOST 16 tegenover het huidige zweefvliegveld. Hij werkte samen met de Heer van Stokkem voor de ondergrondse. Enige tijd voor dolle Dinsdag moest hij naar een ander adres vluchten omdat er steeds Duitse officieren op paarden vlak langs de Blokpost reden en dat werd natuurlijk veel te link. In de eerste dagen van september 1944 stond ik te wachten voor de spoorovergang over het z.g.n Duitse spoor dat vlak langs Blokpost 16 loopt.
Er kwam een locomotief aan ondanks de treinstaking, ik zag twee mannen weg rennen in de richting van de bossen, plotseling schoten er twee grijszwarte rook stralen onder de loc vandaan. De loc wankelde en reed een stuk de helling af in de richting van de Mookse spoorvallei en viel om. Samen met een onderduiker hielp ik de stoker en de machinist om uit de cabine te komen door brand te blussen.
Ze zeiden geen woord van dank en verdwenen richting Nijmegen langs het inspectiepad van het Mookse spoor. Omdat er geen militaire begeleiding was waren het waarschijnlijk Duitse machinisten. Op blz 109 van het boek Nijmegen '44 van Joost Rosendaal staat een opdracht dd 7-9-44 14.30 aan de knokploegleider Henk Brouwer om de spoorlijn Nijmegen-Kleef op te blazen.
Nu lees ik in uw verhaal over Gerard van de Wansem die betrokken was bij het opblazen van een spoorlijn waar Duits treinverkeer op plaats vond. Bij mij rijst nu de vraag, zou Gerard een van de wegrennende mannen zijn geweest? En moest ik daarom voor mijn broer uitzoeken of er Duitse defensiewerken tussen de overweg aan de Dalmarasweg en de blokpost waren?
Doordat ik klein van stuk was en in een korte broek liep kon ik op plaatsen komen en waarnemingen doen waar mijn broer direct gepakt zou worden, en daar maakte hij veelvuldig gebruik van en ik deed het graag.
Leeft Gerard nog? Zo ja dan zou ik hem graag wat vragen willen stellen.
Chris werd op 19 September 1944 jammer genoeg tijdens bluswerkzaamheden dood geschoten van uit de dependance van een Hotel aan de overzijde van de straat. Tijdelijk begroef ik hem in de tuin van ons afgebrande huis. Na maanden zou er een tijdelijke ter aarde besteling plaats vinden op het kerkhof aan de Graafseweg vanwege de desolate toestand van het kerkhof aan de Daalseweg.
Na weer enige maanden zou hij eindelijk begraven worden aan de Daalseweg. Ik vroeg vrij van school aan de prefect studiorem maar dat kreeg ik niet, dus flenkte ik. De volgende dag moest ik bij de prefect ter verantwoording komen op zijn kamer. Ik klopte aan zijn deur en hoorde een soort gebrom, en ging naar binnen. "Goede morgen Pater" zei ik zo vrolijk mogelijk. "Je was absent volgens het klasseboek zonder mijn toestemming" brulde hij. "Pater U wist dat ik naar de begrafenis van Chris mijn broer was en dat is familie in de eerste graad" "Begrijp jij niet dat je hier een opleiding krijgt tot Jezuiet en je volkomen hoort te gehoorzamen. "Zoiets heeft mijn vader me nooit verteld, ik wil helemaal geen Jezuiet worden" "PERINE' DE AC CADA' VER" riep hij met geweld in zijn stem. (blinde gehoorzaamheid als een lijk) "Pater ik blijf mijn broer trouw ook nu hij dood is". "Maar ik had bepaald dat je geen vrij kreeg" " Maar ik zelf bepaalde dat ik wel ging". Na dit gezegde hief hij zijn arm omhoog en schreeuwde: "ER UIT" Ik opende met een zwaai de deur en zei "it's all in the game Sir, same to me, so long, I'll find my way for sure anyway." Bevrijd zijnde van zijn kadaverdiscipline rende ik naar de klas en pakte mijn tas en wipte langs de suppoost bij de hoofdingang en rende naar mijn fiets die in de gymzaal stond waarin een Engels Cookhouse was gevestigd. De kok had ik enige tijd daarvoor gered tijdens een benzine brand veroorzaakt door een granaat inslag. Van de kok had ik toestemming gekregen om de fiets, een prachtige Fongers, om diefstal te voorkomen daar neer te mogen zetten, het was een souvenir van mijn broer Chris. Einde Canisius College, einde overdreven disciplinair gedoe. Kort daarop kreeg ik een baan als Interpreter bij de Royal Canadian Engineers en trok later met hen een stuk Duitsland in.
Ik sliep in een kuil onder een roadshovel voor de veiligheid samen met drie canadians. Mijn vader had niet stil gezeten, hij werkte toen bij de Politieke opsporingsdienst en liet me ophalen door de M.P. na drie maanden. Later vertelde mijn zus dat een Pater van Canisius was komen vragen waarom ik niet meer naar het college kwam.
In afwachting van enig response. Groeten, John Leesberg

Reactie 19:

Albert Cloosterman, 19-07-2012: Beste John Leesberg, hartelijk dank voor uw uitgebreide en interessante reactie. Ik begrijp, dat u in de oorlogsjaren en de jaren daarna een hectische tijd hebt beleefd. Ik ben een jaar of zeven jonger dan u en ik ben pas in 1949 naar het Canisius College gegaan. Toen was er geen sprake meer van, dat je Jezuïet moest worden. Slechts een enkeling van de eind-examinandi is naar het seminarie gegaan.
In mijn tijd waren de woensdag- en zaterdagmiddagen vrij. Voor mij was de zaterdagmiddag maar gedeeltelijk vrij. Ik voetbalde toen bij Union en ik was samen met Frans Deflers 'vrijwillig' aangewezen om het wekelijkse Union krantje te stencilen. Dat gebeurde onder auspiciën van pater Tonino (bijnaam het Peerd).
U vroeg naar gegevens van Gerard van de Wansem. Via Lies Welling, die getrouwd is met een Engelse militair en nog steeds als weduwe in Engeland woont, vernam ik dat ze tijdens hun uitzending naar Nigeria Gerard van de Wansem had ontmoet, die daar werkzaam was.
\Gerard is later naar Nederland teruggekeerd en zijn laatste adres was in Ootmarsum. Ik had zijn telefoonnummer, maar dat bleek niet meer actief te zijn. Lies vertelde mij, dat zij elkaar met Kerstmis altijd een kaartje stuurden, maar de laatste jaren is haar Kerstwens niet meer beantwoord en zij denkt dat Gerard is overleden. Gerard had een zus: Nelly. Zij heeft mij dikwijls met mijn huiswerk wiskunde geholpen. Nelly is getrouwd met de Munk en woonde op de Broerweg. Als een van haar kinderen of kleinkinderen deze rubriek leest, dan hoop ik dat zij reageren en ons wellicht iets meer kunnen vertellen over Gerard (die overigens Broer werd genoemd).
Met vriendelijke groeten, Albert Cloosterman

Reactie 20:

Theo Ambaum, 11-10-2012: Hallo Albert, dat is een hele opgave om dat weer te geven. Maar het is mooi en, eerlijk, dat had ik niet van jou verwacht. Ik kan me nog wel iets van vroeger herinneren: de begravenis van je vader we zaten toen samen bij de Shell, tezamen met Cor Linssen en Theo van Nuland (reeds overleden). De feesten in Nijmegen als ik me goed herinner "de Lentejool!" en het leren overdag (nog enigzins beneveld) voor het proefwerk van maandag. Na het eindexamen van de HTS zijn onze contacten verwaterd met alleen nog kerst/nieuwjaars wensen. Jouw buurmeisje Sars woont in Oss en ik heb haar jarengeleden ontmoet. Ik kreeg van Wim Bijl jouw groeten en ik dacht ik zal eens "googlen" en vandaar dat ik jouw memoires heb gelezen. Albert en familie het gaat jullie goed en misschien eens een persoonlijk weerzien. Theo

Reactie 21:

Albert Cloosterman, 13-10-2012: Beste Theo, Leuk om na 50 jaar weer iets van je te horen. Enkele jaren geleden heb ik via Google geprobeerd om wat meer van je te weten te komen, maar dat is niet gelukt.
Cor Linsen heeft na zijn HTS studie bij Willem Smit in Nijmegen gewerkt en hij is daar uiteindelijk op Personeelszaken terecht gekomen. Hij is psychologie gaan studeren en heeft een praktijk gehad op de St. Annastraat in Nijmegen. Cor is enkele jaren geleden overleden.
Met Ko Keijman heb ik nog regelmatig contact. Ko is nog steeds dezelfde grappenmaker en kwajongen als 55 jaar geleden. Hij is altijd in zijn geboortestad Tiel blijven wonen.
Mijn zus Elly heeft nog geregeld contact met Nelly Sars, het jongste zusje van Jeanne Sars.
Na mijn pensionering op 68 jarige leeftijd heb ik Astronomie/Kosmologie als hobby opgepakt en ik loop al gedurende 7 jaar HOVO colleges in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen. Ik ben er hartstikke druk mee en geef zelf ook veel lezingen over dit onderwerp. Je kunt hierover meer lezen op mijn site:
http://sites.google.com/site/apcloosterman/
Regelmatig kom ik nog in Nijmegen: een groot aantal familieleden wonen er nog. Verder speel ik eenmaal per jaar samen met mijn broer Piet de Waalbridge mee. Ondanks het feit dat er zo'n kleine 1000 mensen meedoen, ontmoet je eigenlijk maar zelden mensen uit de goeie ouwe tijd.
Hartelijke groeten van Albert (Ap) Cloosterman.

Reactie 22:

Jos Derkse, 05-11-2012: leuk om de verhalen van de buurt te lezen, mijn vader heeft de slagerij van Cloosterman overgenomen in 1959, en ik heb mijn hele jeugd op de Dommer gewoond en herken een helehoop dingen die je beschrijft. gr Jos Derkse

Reactie 23:

Maartje, 05-02-2013: Goedemiddag, leuk om te lezen, ik ben de kleindochter van jullie tante Bets!
willen jullie 1 ding veranderen, de naam van mijn opa is verkeerd gespeld, moet zijn Bruijns ipv Bruins.
bedankt
[Redactie: OK, is gecorrigeerd.]

Reactie 24:

Nel Roelofsma, 15-03-2013: Albert, je beschrijft precies zoals het was in mijn jeugd, geweldig. Het lijkt allemaal nog zo kort geleden. In de Fortstraat woonden ook nog de familie Hermens en mijn opa en oma Roelofsma. Met de familie Roelofs bedoel je waarschijnlijk de naam Roelofsma. Wij woonden direct tegenover jullie in die 3 huizen. Weet je ook nog dat Corry Klopper heel lang stil kon staan op zijn fiets. Hij hield dan zijn stuur wat naar links. Dat vond ik altijd fantastisch. In het Pniel zongen de gelovigen een psalm en wij hadden daar dan onze tekst op: moeder onze kraai is dood. Maar als mijn moeder dat hoorde dat we dat zongen kregen we te horen dat we respect moesten hebben voor ieders geloof en onmiddelijk stil moesten zijn. Ik ben vandaag naar de begravenis geweest van Lies van de Kemp en heb zodoende de jongens van de Kemp en ook Lei (hun oudere zus) nog gesproken. En, ik dacht Theo van de Broek heeft mij geattendeeerd op jou site. Nogmaals bedankt voor je mooie beschrijving van het leven in Oost. Ik heb er gewoond tot mijn 12e jaar.

Reactie 25:

Albert Cloosterman, 15-03-2013: Hallo Nel, Je hebt gelijk. Ik heb jullie achternaam verkkerd vermeld. Het is inderdaad Roelofsma. Ik weet het nog precies waar jullie woonden met je oma en opa naast de tuin van het Pniël.
Zo'n 40 jaar gelden waren wij met vakantie in Zuid-Frankrijk en hadden een van de twee bungalowtjes gehuurd, die op een enorm landgoed stonden. Het tweede huisje was gehuurd door jouw oudere zus.
Ik weet niet of ze nog in leven is en zoja of ze zich het nog kan herinneren.
Hartelijke groeten. Albert

Reactie 26:

Jan Eefting, 19-03-2013: Vanmiddag weer eens telefonisch bijgepraat met Ap (vroeger Albert). Hij maakte mij op deze site attent en speciaal op de vele reacties. En ja, veel bekende namen die door mijn herinnering aan onze Nijmeegse jaren schoten. De bijbehorende gezichten zullen tussentijds wel wat veranderd zijn. Samen met Nanno van Essen als padvinder op de foto, waarschijnlijk genomen in hun voortuin aan de Cederstraat. Dat deel was ik even kwijt. Ga zaterdag hier in Aardenburg naar de Matthäus Passion. In 1949 zelf nog meegezongen in "De Vereeniging", in het jongenskoor. Kooroefeningen in een steenkoude Stevenskerk. Padvinderij bij de Keizer Karelgroep aan de Kwakkenbergweg tegenover de uitzichttoren. Naar school (op de step) via de van Santstraat naar de NSV aan de Driehuizerweg. Zeepkistenraces op de Dommer en Kwakkenberg. En ook voetballen op het weitje waar ook de kapelaan af en toe een balletje meetrapte. Ja, Ap we hebben daar een mooie jeugd gehad. Ik vind het knap van je dat je een deel hiervan hebt toegevoegd aan de Nijmeegse "oral history". We zien elkaar weer in het voorjaar!

Reactie 27:

Nel Roelofsma, 21-03-2013: Albert, na het contact via mail heb ik mijn zusje Riet gesproken. Haar en haar man Cor en gezin heb je ontmoet tijdens die vakantie in Frankrijk waar je over schreef. Ze was ook erg enthousiast. Zij wonen in Geldermalsen. Mijn oudste zus Riny is op 1-1-2012 overleden. Ik heb nog 2 foto's van onze familie in de Fortstraat. Als je wilt zend ik ze alsnog.
Ik wil ook nog vermelden dat ik lid was van het Genoveva Gilde. Wij hadden ons gebouwtje achter de Dommer voorbij de Christus Koningkerk. Onze leidsters waren o.a. de meisjes Stoffels van de van 't Santstraat. Weet je ook dat Henk Hendriks van de Dommer en vader van mijn vriendinnetje Riekie tijdens het bombardement op de Stevenstoren is omgekomen? Er komen steeds meer herinneringen boven. Tot zover. Groeten Nel Roelofsma

Reactie 28:

Albert Cloosterman, 24-03-2013: Beste Jan Eefting, bedankt voor je aardige reactie. Groeten aan Anneke en je kinderen. We zien elkaar weer binnenkort.

Reactie 29:

Albert Cloosterman, 24-03-2013: Hallo Nel Roelofsma, bedankt voor je reactie. Wellicht is het leuk ook voor anderen, die in de buurt gewoond hebben, om de foto's op de site van Noviomagus te plaatsen. Groeten voor je zus Riet en zwager.

Reactie 30:

Rene Thijssen, 29-12-2013: hallo Nellie, ik zit met regelmaat op deze site te schuimen en bij toeval zie ik iets over nijmegen oost enwel de Dommer en Fortstraat, ik ben de jongste zoon van Lena & Hent van de Tooropstraat, van Riny wist ik ook niet dat ze overleden is we zagen haar wel eens bij c 1000 op de st Jacobslaan, dat jullie in de Fortstraat hebben gewoond wist ik ook niet, Riet laatste keer gezien bij de begrafenis van ome Hent, nou het ga je goed en messchien tot ziens
gr Rene

Reactie 31:

Carla Busser, 09-01-2014: Ik ben Carla Busser, mijn moeder heette Resink, en woonde op de Dommer van Poldersveldweg 18 of 8 schuin to Spoeltman de sigaretten zaak, mijn moeder heeft daar haar jeugd doorgebracht, met 4 broers en 4 zusters, zij waren wel ouder als de heer Cloosterman, maar ik kwam zelf iedere dag bij mijn Opoe. Het merkwaardige van het verhaal is, dat ik zelf op het Wilgplein gewoond heb en wij klant waren bij slager Derkse een broer van de slager op de Dommer van Poldersveldweg.

Reactie 32:

Albert Cloosterman, 11-01-2014: Hallo Carla,
Dat moet dan naast de kolenboer Paulisse zijn geweest. Klopt dat?

Carla Busser, 19-02-2015: Mijn opoe woonde naast de fam Eichelsheim, dat is wat ik mij nog herinner, Aan de andere kant weet ik niet meer, jammer jammer, maar helaas.

 

REAGEER

terug

Reactiepagina
Reactie 33:

René van den Broek, 16-09-2014: Hallo Albert,
Ik ben René de jongste telg van de familie van den Broek van de Dommer.
Op mijn computer kwam ik weer jouw fantastische verhaal tegen. Ook bij mij komen de herinneringen weer boven met de vrienden uit Nijmegen Oost. Ik heb veel opgetrokken met jouw jongere broers Gé en Wim.
Wim ben ik vóór zijn overlijden nog regelmatig tegengekomen op de tennisbaan. Ik stuur je een foto, waar we met de vriendenclub de Kalorama mars lopen. Klopt het dat half op de foto Gé nog te zien is?
Nogmaals bedankt voor dit mooie stukje nostalgie.
Foto Cloosterman-Rx33 WIE op hoek Fortstraat/Dommer van Poldersveldtweg tijdens Kaloramamars in mei 1954 (nummertjes zien? muis over of klik op de foto)
1: 2: René van den Broek3: Wim Cloosterman4: Martin Arts van de Zanden5: Foppe Schippers
6: 7: Gé Cloosterman8: 9: 10:
11: 12: 13: 14: 15:
16: 17:
Reactie 34:

Albert Cloosterman, 17-09-2014: Hallo René van den Broek,
Bedankt voor je reactie. Erg blij ben ik met de foto. Wim (nr 3) staat er samen met jou (nr 2) duidelijk op en inderdaad is rechts Gé (nr 7) te zien.
Ik heb de foto doorgestuurd naar Piet, Marian en Elly en ook naar de kinderen van Wim en Ge.
Hartelijke groet, Albert Cloosterman
Reactie 35:

Carla Busser-Furtjes, 17-09-2014: Hallo Albert (n.a.v. reactie 32),
Nee, mijn Opoe woonden naast de fam. Eigelsheim, volgens mij waren dat een stuks of 8 kleinere huisjes, na een gangetje voor achterom volgende de grotere huizen, misschien nog op een andere manier te achterhalen. Trouwens bedankt voor je reactie!
Reactie 36:

René van den Broek, 18-09-2014: De enigen die ik nog herken op de foto zijn: 4: Martin Arts van de Zanden en 5: Foppe Schippers (van de melkboer t.o. de slagerij). Helaas komen de anderen mij niet bekend voor. Het valt overigens op dat we klaarblijkelijk vroeger al op jeugdige leeftijd met een stropdas(je) liepen. En dat met een wandelmars.
De foto is overigens in Mei 1954 gemaakt.
Reactie 37:

Albert Cloosterman, 19-09-2014: Helemaal zeker ben ik er niet van, maar ik dacht dat nr. 12 de broer van René was, namelijk Theo van den Broek.
De mensen achter de ramen in het bovenhuis (nrs.14,15,16,17) behoren tot de familie van Uum. Overigens is dit geen familie van bakker van Uhm, die op de Tooropstraat woonde en waarvan zoon Peter een mooie carričre heeft gemaakt bij defensie.
De heer en mevrouw van Uum, zoals ik ze gekend heb waren al op leeftijd en hadden 2 dochters: Dinie en Iet. Dochter Iet is getrouwd met een zekere mijnheer Jacobs en die woonde in de buurt van de Jan van Goyenstraat.
In de herfst van 1956 werd er op een zaterdagmiddag bij ons aan de achterdeur gebeld.
Mijn vader en moeder waren druk in de winkel en ik maakte dus open.
De man aan de deur bleek een Engelsman te zijn, die deel had uitgemaakt van het Engelse leger tijdens de bevrijding van Nijmegen en hij vroeg naar de familie van Uum. De familie van Uum was inmiddels verhuisd en op dat moment woonde er de familie Vos uit de Paulus Potterstraat. Zijn belangstelling ging uit naar Iet, waar hij tijdens de bevrijding kennis mee had. Hij had haar nog graag ontmoet, maar toen ik vertelde dat ze inmiddels was getrouwd kon ik de teleurstelling op zijn gezicht aflezen.
Ik wist hem nog wel te vertellen, dat Iet en haar gezin in de Corduwenerstraat woonde.
Of hij haar nog heeft opgezocht ben ik nooit te weten gekomen.
Reactie 38:

Ger van Aalten (Top), 21-09-2014: In de Fortstraat woonde in de vijftiger jaren de Fam. Tilders, geen rijschoolhouder maar horlogemaker, en schuin ertegenover op nr.15 de Fam. Henk Top, toen politie agent later rijschoolhouder op de Broerdijk.
Reactie 39:

Riet Roeloffs-van Alst, 18-02-2015: Ik kwam heel toevallig op deze site terecht, omdat mijn zus Ineke Beker-van Alst een foto van Davino op FB had gezet. Ik ben toen gaan kijken naar de site Noviomagum en kwam dit verhaal tegen.
Ik ben geboren in 1939 en woonde vanaf 1941 in de Paulus Potterstraat, daarna verhuisd naar de Tooropstraat. In 1961 getrouwd en naar Spaubeek in Limburg verhuisd. Ik heb genoten van deze terugblik op ook mijn jeugdherinneringen. Op de lagere school ging ik veel om met kinderen Vos en Kersten en Peeters, de melkboer.
Heel hartelijk dank hiervoor. Groetjes, Riet Roeloffs-van Alst.
Reactie 40:

Mathieu van der Burgh, 20-09-2015: Wat leuk om nog iets, al is het maar weinig, over tante Pietje te lezen. Ik heb als student een paar jaar (1973-75) bij haar op de Mr Franckenstraat 3 op kamers gewoond (haar man was toen al overleden).
Zij noemde mij Jo, omdat zij haar man (oom Albert?) blijkbaar ook zo noemde, voor het (haar) gemak dus. Zij vertelde met smaak over de bakkerij in de Grotestraat, de CC bakkerij (van Cloosterman-Cornelissen), en over de Centrum Expresse en vooral alle Nijmegenaren die zij kende. Tante Pietje was een lieve vrouw bij wie ik heel prettig heb gewoond. Ik zei ook tante Pietje tegen haar, dat vond ze leuk.
En tot mijn verrassing kwam ik in Uw relaas ook Chiel van Dinter van de Daalseweg (mijn oom Chiel en tante Mientje) tegen. De zus van mijn vader, tante Nel, was getrouwd met Jo van Dinther (met een h), die een halfbroer was van Chiel van Dinter (zonder h). Oom Jo had een elektrotechnisch installatiebureau op Parkweg 128. Zijn moeder dreef het café op de hoek van de Hezelstraat en de Parkweg.
Reactie 41:

Maurice Welling, 20-02-2017: Mijn dochter is onlangs verhuisd naar Tooropstraat 54, met uitzicht op de hertjes in de Frans Halsstraat. Vandaar dat ik weer wat vaker op mijn geboortegrond vertoef.
Ik ben geboren op Dommer van Poldersveldweg 64, zoon van Fried Welling. Leuk dat je mijn familie ook regelmatig in dit stuk noemt. Mijn tante Lies leeft nog en woont ook nog steeds in Engeland. Met haar gezondheid gaat het iets minder maar we ontvangen nog bij iedere verjaardag en met kerst een uitgebreide, handgeschreven kaart.
Ik ben onlangs nog langs mijn geboortehuis gelopen en zag dat de huidige bewoners er goed voor zorgen. Zelfs de kamer en-suite is intact gelaten. Wat me verbaasde is, dat mijn opa het indertijd voor elkaar kreeg om zijn DAF-je in de garage te parkeren. Als je er nu langs loopt lijkt die garage zo klein.
Reactie 42:

Albert (Ap) Cloosterman, 20-02-2017: Beste Maurice, Als ik op het huisnummer afga waar je bent geboren dan moet ik hieruit afleiden dat Fried in zijn ouderlijk huis heeft gewoond. Klopt dat?
Als ik het goed heb, was Fried de jongste en enkele jaren ouder dan ik ben. Ik ben inmiddels 80. Leeft hij nog? Mijn zus Marianne is nog steeds bevriend met Elly Kersten, het vroegere buurmeisje van Fried.
Reactie 43:

Maurice Welling, 20-02-2017: Beste Ap,
Mijn vader heeft inderdaad een tijdje thuis ingewoond. Mijn oudste broer en ik zijn daar geboren. Met mijn komst werd het huis wat te klein en zijn we verhuisd naar Ewijk. Mijn vader was inderdaad de jongste maar hij is helaas relatief jong overleden (63). Hij zou nu 86 geweest zijn. Zijn broers Rene en Joop zijn ook overleden.
Reactie 44:

Theo Wesselius, 17-09-2017: Mijn vrouw Els van Hulst woonde op nummer 74 (van de Dommer). Ze werd net 84 en staat op de groepsfoto voor hun ouderlijk huis genomen. Ze herbeleefde haar jaren in die tijd opnieuw. En intens..... Ze herkende de mensen die in jullie verhaal voorkomen.
Ze heeft nog enkele foto's uit die tijd. Onder andere staat ze met haar broers opnieuw voor hun huis samen met de Canadezen die bij hun ingekwartierd waren.
Haar vader Van Hulst was de kapper die werd genoemd. Zelf heb ik met mensen kennis gemaakt toen ik verkering kreeg met Els. We trouwden in de Christus Koning kerk in 1958. Pastoor Gudde was de celebrant.
Bedankt dat we konden herbeleven.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: