|
© copyright Tineke Beukering, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl Toussaint Christiaan Canisius (Christ) *Nijmegen, 21-10-1896
|
|
Onderstaand verhaal is een voorpublicatie van het in 2010 te verschijnen boek van Bart Janssen, auteur van het in 2005 verschenen boek "De pijn die blijft" waarin verhalen van nabestaanden van de bombardementsslachtoffers van 22 februari 1944 zijn opgenomen. Zijn nieuwe boek zal gaan over "andere" oorlogsslachtoffers uit Nijmegen. Hun verhalen kwamen naar voren tijdens het onderzoek dat hij verrichtte voor zijn eerste publicatie en waren zó indrukwekkend, dat een vervolg op "De pijn die blijft" niet kon uitblijven. Binnenkort zal op deze website een speciale pagina geplaatst worden waarop Bart Janssen u oproept hem te helpen aan de ontbrekende puzzelstukjes voor zijn nieuwe boek, opdat de verhalen over de Nijmeegse oorlogsslachtoffers voor het nageslacht bewaard zullen blijven. Reacties op het hieronder gepubliceerde verhaal van Tineke Beukering kunt u per email kwijt aan Henk Kersten van Stichting Noviomagus.nl en zullen onder dit artikel geplaatst worden. Klik hier voor een fotoselectie uit het familiealbum van de families Toussaint, Pelser en Beukering |
|
Christ Toussaint Bron: Mevrouw C. Beukering-Toussaint uit Veldhoven (dochter).
Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, was ik onder de indruk van het lawaai van al die
vliegtuigen in de lucht. Ik stond tussen de bewoners van de Vermeerstraat en nóg kan ik me het gegons herinneren van de stemmen die steeds maar herhaalden: "Het is begonnen, het is begonnen, het is begonnen..."
Mijn ouders en ik waren echte boekenwurmen. Mijn vader, die veel connecties had met de Franciscanen van het studiehuis uit onze straat, mocht bij hoge uitzondering studieboeken lenen uit hun bibliotheek en ik kreeg mijn boeken altijd cadeau met verjaardag en sinterklaas. Gedurende de oorlogsjaren heeft mijn moeder een zware tijd gehad. Mijn vader moest bijna elke winter een tijdje kuren voor zijn longen. Hij moest daarvoor op een koude kamer liggen. Voor mijn moeder was het dan steeds trap op, trap af om de collega's van mijn vader, die op bezoek kwamen, van koffie en thee te voorzien. In die tijd wilde mijn vader graag de H. Communie op bed hebben. Pater Perquin van de Maria Geboortekerk, onze eigenlijke parochiekerk, kwam tweemaal per week de communie brengen. Mijn moeder maakte dan een soort altaartje. Een tafel met een wit geborduurd kleed er overheen, een palmtakje met wijwater en een kruisbeeld. Dat tafeltje werd vlakbij het bed gezet. Voor mij was dan ook een taak weggelegd. In alle vroegte, voordat ik naar school ging, moest ik bij de voordeur gaan staan. Als ik de priester hoorde aankomen, en later bij zijn vertrek, moest ik knielend op de kokosmat de deur openen. Ik moest ook altijd knielen als pater Lucas op bezoek kwam. Hij was een vroegere studievriend van mijn vader en hij is later monseigneur in Zuid-Afrika geworden. Als ik dan de zegen en een kruisje op mijn voorhoofd kreeg, keken zijn doordringende ogen me aan alsof ik het ergste kwaad van de wereld had gedaan en dat terwijl ik voor gedrag, vlijt, beleefdheid en orde altijd alleen maar negens op mijn rapport had. Omdat mijn vader altijd met zijn longen getobd heeft, moesten mijn moeder en ik elk halfjaar worden doorgelicht door dr. Wijnands in de Sloetstraat. Daar werden na verloop van tijd ook bij mij vlekjes op de longen geconstateerd en ik kreeg extra voedselbonnen voorgeschreven. Honger hebben we dus niet geleden, maar ik was vaak ziek en had dan grote moeite om mijn eten binnen te houden. Mijn ouders hebben met mij heel wat bezoekjes aan dokter Peljak, de kinderarts op de Kronenburgersingel, gebracht.
En hoewel het bombardement het leven in de stad volledig ontwrichtte, bleef mijn vader actief in het verzet. Tot 29 juni 1944, het feest van Petrus en Paulus... Die emotionele nacht vergeet ik nooit meer. Rond middernacht werden wij opgeschrikt door een aanhoudend bellen. Mijn vader werd opgehaald. Terwijl hij zich aankleedde, werd er huiszoeking gedaan. Dat ging met veel lawaai gepaard. Ik herinner me dat ik de mannen in onze keuken in de messenbak hoorde rammelen. Dat vond ik eng, want ik wist dat er een Indische dolk in lag die mijn ouders in bewaring hadden van de zoon van de familie van Geuns die twee huizen verder woonde. Deze dolk, die onder verboden wapenbezit viel, gebruikte mijn moeder als broodmes. Ze hebben hem niet meegenomen.
De dagen en weken daarna werden tijden van onrust, spanning en angst. Niemand kon ons vertellen waar mijn vader naar toe was gebracht. Wij wisten dat iedere dag, die verstreek zonder iets te vernemen, een dag dichter bij de dood kon betekenen. Voor mijn moeder moet dit een ondragelijke tijd zijn geweest. Toch hield zij zich erg flink, ook tegenover mij. Ook ik heb deze spanning gevoeld, maar een kind ervaart dit toch op een heel andere wijze. Een kind staat nog aan het begin van het leven en al spelenderwijze gaat dat leven verder. In juli werd ons door iemand een briefje doorgespeeld. Het was een briefje van mijn vader, dat uit de gevangenis was gesmokkeld. Hij schreef ons: |
| Arnhem,
1 Juli 1944 Liefste Tonny en Tineke, Als no 154 van de strafgevangenis te Arnhem, de bekende koepel, schrijf ik je dezen brief. Ben jij en Tineke al bekomen van de schrik? Ik zal je in het kort verhalen wat er met mij gepasseerd is sedert die nacht. Ik werd op het politiebureau eerst in een cel gestopt en kon gaan liggen op een harde brits. Het regende erg en het raampje was kapot, zodat de regen op mijn gezicht viel. Om 7 uur moest ik me met een goor stelletje jongens gaan wasschen, daarna heb ik nog een paar uren loopen te ijsbeeren in mijn cel. De 4 sneedjes brood kon ik niet wegkrijgen. At er maar twee op. Om 9 uur zouden wij naar Arnhem vervoerd worden, moesten hiervoor in een klein kamertje wachten maar we gingen eerst om kwart over twee onder politiegeleide naar het station. In Arnhem hebben we verschillende uren in het gebouw sicherheitzdienst doorgebracht maar dat kan soms lang duren zeggen ze hier, maar tot een verhoor van mij is het niet meer gekomen. Ik hoop nu maar Maandag. Om 8 uur werden we vervoerd naar de strafgevangenis. De homp brood met een kroes frisch water smaakte me al beter. Ik slaap nogal goed. Vanmorgen werden we gelucht. Toen kreeg ik het een paar malen te kwaad. Voor het overige buig ik me onder Gods Heilige wil. Hij weet, waarom Hij deze grote beproeving over me liet komen. Ik ben me van geen enkel kwaad bewust, noch van een of andere handeling tegen de Duitsche overheid. Kan Jo er niet voor zorgen dat de zaak spoedig wordt afgehandeld? Zeg Tonny, ga naar het convict en bestel bij pater Gardiaan een H. Mis ter ere van God den Heiligen Geest, een votiefmis als het kan en betaal hem hiervoor f 5 gulden. Lieve Tineke, wees echt lief voor mammie opdat pappie weer spoedig thuis moge komen. Ik troost me dat het licht van Gods Gelaat ook in deze kleine cel over me schijnt en dat de H. Geest de Vertrooster in mij woont' Lieve Tonny en Tineke, ik heb een groot verlangen naar jullie en geweldig heimwee naar huis. Moge we spoedig weer vereend zijn. Zoek afleiding. In den geest omhels ik jullie beidjes innig. Groeten aan de familie. Dag en kop op!! |
| Na enige tijd kregen we wéér een briefje. Ditmaal ongedateerd: |
| Liefste Tonny en Tineke Ik ben vandaag voor het laatst verhoord. Het protocol is opgemaakt. Ik wacht nu mijn "straf" af. Misschien Vught? Ik heb me vandaag goed gehouden. Ik ben niet mishandeld. Ik heb gelukkig niemand verraden. Doe nooit iets wat tegen de bezetting is. Bewaar nooit iets in huis. Groeten aan Tineke, hoe maakt de kleine schat het? En jij, ben je flink? Tanden op elkaar. Ik zal blij zijn als ik jullie weer zie. Wat een genot zal dat zijn weer te kunnen gaan en staan, weer de blauwe hemel te zien. Jullie weer om me heen te hebben, me weer eens behoorlijk te kunnen wasschen. Geen nummer meer te zijn. Het eten is 's middags voldoende. Verder 's morgens 2 sneeden brood (droog) en 's avonds en dan heb je het gehad. Vetter zal ik niet worden maar ik voel me wel goed. Morgenvroeg komt de gevangenisdokter weer en die zal dan moeite doen dat ik het iets beter krijg door me b. v. naar het huis van bewaring te doen sturen. Maar afwachten. Dag Tonny, ik denk veel aan je. Als ik weer thuis ben beginnen we weer met de Nu Tonny, tot spoedig ziens. Bidden we voor elkaar. Draag je verdriet met een geloovig hart. Kus Tineke van me. Zelf hartelijk omhelsd van je man Christ. Scheur dit briefje kapot!! |
| Uit de paparassen, die bewaard zijn gebleven, blijkt dat mijn moeder alle mogelijke moeite heeft gedaan om informatie binnen te krijgen. Van mensen uit de "ondergrondse" hoorde ze ook wel eens wat, maar het waren allemaal veronderstellingen. Op 27 juli 1944 stopte een auto van "Van Gend en Loos" voor de deur. Er werd een pakket afgegeven. Het waren de kleren van mijn vader. Dagen van vertwijfeling volgden. Op 3 augustus 1944 schreef mijn moeder aan de directeur van het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag: |
| Weled. Gestr. Heer, Gaarne wilde ik Uwe bemiddeling inroepen voor het volgende; Mijn man C.C. Toussaint, wonende Vermeerstraat 26 alhier, werd op 30 Juni 1944 uit zijn huis opgehaald door de politieke recherche. Na een verblijf van 11 dagen in de Strafgevangenis te Arnhem, vanwaar ik een brief heb ontvangen, werd hij op 11 Juli
overgebracht naar Amersfoort. Mijn grote vrees is nu deze; Men zegt dat mijn man en nog enkele andere Nijmegenaren zouden gefusilleerd zijn als represaille op de moord op 7 Juli j.l. in Nijmegen gepleegd op een lid van de bezettende macht.
In de Gelderse Courant van 21 Juli j.l. (een in Nijmegen verschijnend Dagblad) stond; dat wegens den arglistigen moord en moordaanslagen op 6 en 7 Juli 1944 te Nijmegen, een aantal gearresteerde terroristen en saboteurs standrechtelijk is doodgeschoten. Hoogachtend, |
| In Nijmegen ging het gerucht dat een jongen een Duitser had doodgeschoten, die in een park met een Nederlands meisje zat te vrijen en dat daarom als "strafmaatregel" de laatste vijf of zes personen, die in kamp Amersfoort waren aangekomen, gefusilleerd zouden zijn. Maar mijn moeder bleef hopen, tot uiteindelijk zwart op wit werd bevestigd dat mijn vader was omgebracht. Na een zeer gelukkig huwelijk van 15 jaar verloor mijn moeder op 38-jarige leeftijd haar man en ik op 12-jarige leeftijd mijn vader.
Nadat mijn moeder mijn school had ingelicht, ben ik zelf naar mijn klassenzuster, zr. Regina, gegaan om het haar te vertellen en hoewel deze zuster niet bekend stond als een lieve zuster, was ze buitengewoon lief voor mij. Ze pakte mijn hand in de hare en drukte die onder haar plastron op haar hart. Samen hebben we daarna in de kloostertuin van de Dominicanessen gewandeld. Dit lieve gebaar is me altijd bijgebleven, maar van het gesprek zelf kan ik me niets meer herinneren.
Op 1 april 1945 kwam mijn moeder ter ore dat ene pater Smackers uit Geleen in dezelfde periode als mijn vader in Amersfoort gevangen had gezeten. Ze schreef hem dezelfde dag. De brief bereikte hem op 30 april 1945. Hij antwoordde meteen: |
| Geachte Mevr. Toussaint. Naar aanleiding van Uw brief van 1 April, moet ik U vooreerst mededeelen dat ik Uw schrijven eerst vandaag ontving. Ik heb me dan ook gehaast om het onmiddellijk te beantwoorden, aangezien ik me zo levendig de buitengewoon moeilijke omstandigheden kan voorstellen, waarin U op het ogenblik verkeert. Zeer tot mijn spijt kan ik U niet volledig over het gevraagde inlichten, maar ik wil U alles vertellen wat ik me van deze uiterst treurige en pijnlijke aangelegenheid herinner. w.g.P. Arn. Smackers O.C.D. |
| Rector Verhoeven van de Sint Stephanuskerk aan de Berg en Dalseweg, biechtvader en beste vriend van mijn vader, maakte een concept voor het bidprentje voor mijn vader. De tekst begon met een citaat uit de laatste brief die hij van mijn vader ontving: "Het leven is hier erg zwaar. Ik voel me met Christus aan het kruis geslagen, maar daarom weet ik God dicht bij mij. Veel verdriet heb ik om mijn vrouw en Tineke. Zeg hun, dat er geen haat in mij leeft tegen hen, die mij dit aandoen". Op 10 juni 1945 schreef hij mijn moeder: |
Zeer Geachte Mevr. Toussaint, Hierbij zend ik U een proeve voor het bidprentje voor Uw man.Legt U het gerust naast U neer als het U niet bevalt. Ik meende wel enig souvenier van hem te moeten geven omdat de brief aan U en de brief aan mij gericht het laatste is geweest wat wij van hem hoorden. Ik moet U eerlijk opbiechten dat ik toen niet alles heb verteld wat er in die brief stond, omdat dit voor U misschien extra zorgen zou betekenen. Nu staan de zaken evenwel anders en kan het een troost voor U zijn precies te weten hoe Uw man heeft geschreven. De brief zelf heb ik op zijn uitdrukkelijk verzoek vernietigd maar de voornaamste zinnen hebben zeer veel indruk op mij gemaakt en ken ik nog letterlijk van buiten. Daarom mag ik ze hier ook aanhalen. U kunt ervan overtuigd zijn, dat Uw man gelukkig is en zijn gebed werd verhoord, n.l. om NIET voor het lijden te worden gespaard om daardoor meer vooruit te gaan in de liefde van O. L. Heer. Zijn grootste zorg daarbij was zijn vrouw en zijn dochtertje maar hij was er van overtuigd dat God hen ook zou bijstaan. U moet niet denken dat hij onvoorbereid is gestorven. Zijn brief aan mij was vol van een soort voorgevoel nooit meer thuis te zullen komen. Dat betekende voor hem een enorm offer, maar hij heeft dit offer gebracht omdat hij wist, zoals zijn brief getuigde, dat God Liefde is. Ik schrijf U dit nu omdat het voor U belangrijk is om te weten hoe ..... (onleesbaar) en hoe hij dus nu de belooning zal ontvangen van zijn offerbereidheid. U bent niet zo ver van elkander. In O. L. Heer kunt U elkaar weer ontmoeten en veel voor elkaar doen. U zult zich er over verwonderen hoe het mogelijk is, dat u nog KUNT leven, een bewijs dat God U toch helpt en steeds meer zal helpen naar gelang U zich kunt inleven in de geest waarin Uw man zijn offer bracht. Ik begrijp volkomen hoe ontzettend moeilijk het voor U is en hoop daarom van harte dat God U heel bijzonder zal helpen. Gaarne zal ik hem in mijn gebeden herdenken, maar ook wil ik graag nog eens voor U bidden, opdat God U veel kracht zal geven om dit grote leed te kunnen dragen. Met vriendelijke groeten, ook aan Tineke van Rector Verhoeven PS U kunt ook gerust een en ander veranderen als U dat wilt. |
| Naast de grote zorg om mij was mijn moeder ook dagelijks op zoek naar meer personen of instanties die haar nog iets konden vertellen over de laatste levensdagen van mijn vader. Zo schreef ze ook naar de Koninklijke Marechaussee. Een zekere heer Chr. Wilkes van deze instantie, groep Smallingerland post Drachten, schreef haar op 7 juli 1945: |
| Geachte Mevrouw, Gisteren kwam ik in het bezit van Uw brief waarin U mij verzocht om inlichtingen aangaande Uw man, die verleden jaar Juli in Amersfoort werd gefusilleerd. Heel toevallig was mijn vader, die momenteel in Drachten bij mij logeert in het bezit van enkele nummers en namen van destijds vermoorde Nederlanders, welke gevangen zaten in het P.D.A. te Amersfoort. Inderdaad komt ook, tusschen de vele andere namen en nummers, die van Uw man voor. Ik herinner mij deze toestand in Juli 1944 als de dag van gisteren. De Nijmegenaren werden "uitgeroepen", d.w.z. hun nummers werden afgeroepen en moesten zij zich onmiddellijk omkleden. Daarna gingen zij de bunker in, die gedeeltelijk met water was gevuld en waar zij niet rechtop konden instaan. Hieronder volgen verder de namen van degenen, die gelijk met Uw man werden
doodgeschoten en ook bij Uw man op de Leusterheide begraven zijn: w.g. Chr.Wilkes |
| De lichamen werden inderdaad op de Leusderheide gevonden. Op 25 september 1945 werd mijn moeder in Amersfoort uitgenodigd bij de militaire commissaris van het Militair Gezag in Oost Nederland. Ze moest daar ten overstaan van een rechercheur verklaren uit het signalement en de bij het stoffelijk overschot nr. 136 behorende voorwerpen haar man te hebben herkend. Daarna werd het lichaam vrijgegeven. Op 31 oktober 1945 vond in de Maria Geboortekerk aan het Mariaplein de uitvaartmis voor de vier slachtoffers plaats. Na deze plechtigheid zijn zij op de begraafplaats aan de Daalseweg naast elkaar begraven.
Ik heb het altijd jammer gevonden dat de stoffelijke resten in 1971, bij de ingebruikname van de begraafplaats Vredehof, zijn overgebracht naar het aangrenzende ereveld in een vergeten hoek op deze begraafplaats. Na mijn herstel in 1944 was ik weer naar school gegaan. Mijn moeder had haar keuze laten vallen op Mater Deï, hoewel haar financiële situatie beslist niet rooskleurig was. Het pensioen van mijn vader was niet groot. Ik herinner me nog de dag dat het pensioenfonds was ingegaan, want toen kwam mijn vader thuis met de woorden: "Ik kan nu rustig dood gaan, het is er door!". Met veel respect denk ik nog altijd aan mijn moeder die, om mij te laten studeren, letterlijk droog brood heeft gegeten. Ik had in die tijd twee jurken. Een was een vermaakte jurk van mijn moeder en de andere was gemaakt van het kleed dat achter de kapstok had gehangen. Van een blauwachtige deken, die wij van een Amerikaan hadden gekregen, werd een jas gemaakt. Een 7/8, want meer stof zat er niet in. Ik heb er nooit een punt van gemaakt, maar ik was wel blij toen op Mater Deï de bekende zwarte schooluniformen met de witte manchetten weer werden ingevoerd. Om voor een staatspensioen in aanmerking te kunnen komen, moest mijn moeder aantonen dat mijn vader bij de ondergrondse gewerkt had, maar hoe doe je dat als dat werk in het grootste geheim moest plaatsvinden. Gelukkig konden collega's van mijn vader getuigenissen afleggen. Zij schreven op 22 november 1947: |
| Mevrouw, Gaarne geven wij U een verklaring, dat wij zeer goed wisten, dat Uw man zich tijdens den oorlog met ondergrondsche aangelegenheden bezig hield. Het lag vanzelfsprekend niet op zijn weg, daar maar in het openbaar over te spreken, doch in ons milieu, waar van hem bekend was dat dit volkomen was te vertrouwen, kon het niet anders als van tijd tot tijd uit zijn uitlatingen blijken. Regelmatig voorzag hij ons van illegale lectuur, deed mededelingen enz. Trouwens, wat wil men meer bewijs, dan dat de Duitsers hem ophaalden en fusilleerden? Vertrouwend U hiermede van dienst te zijn geweest, Hoogachtend |
| Ook de heer W.F.H. Rosenberg, de actuaris van de Verzekeringsmaatschappij E.R.K. getuigde in een brief van 26 november 1947: |
| Geachte Mevrouw, Gaarne bevestig ik op Uw verzoek, dat mij zeer goed bekend was, dat wijlen Uw man zich ingezet had voor ondergrondsche actie tijdens de bezetting van ons land. Alhoewel vanzelfsprekend na verloop van de emotionele bevrijdingsdagen, gevolgd door enkele uitzichtloze jaren van veel te langzaam geleid herstel, vroegere indrukken inmiddels zijn vervaagd, herinner ik mij dat ik Uw man eens overviel toen hij in samenwerking met zijn vriend van Geuns bezig was berichten van illegale zijde op onze stencilmachine te vermenigvuldigen. Ook verschafte hij me op min of meer geregelde tijden, drukwerkjes, waarvoor ik verdere adressen wist. Het is jammer dat ik U niet meer precise gegevens kan verstrekken, doch ik hoop U althans met dit weinige van dienst te zijn geweest. Het was toch een van zijn buren die hem heeft verraden? Zoo deze man nog in leven is, is dit dan niet een adres waaruit men desgewenscht informaties kan trekken? Hoogachtend, w.g. W.F.H. Rosenberg |
Op grond van deze getuigenissen heeft mijn moeder een staatspensioen gekregen. "De pijn die blijft" geldt voor alle achterblijvers, ook voor mijn moeder en mij. Desondanks heeft mijn moeder na de eerste jaren redelijk mild over de Duitsers kunnen denken. Ik niet, zelfs nu heb ik er nog wat moeite mee. Ze hebben mijn vader afgenomen. Ik liep in de
Rembrandtstraat te huilen, toen alle bewoners van die wijk feest vierden omdat we weer vrij waren. Ook op de middelbare school wilde ik geen Duits leren. Ik maakte geen huiswerk en had bijna altijd een onvoldoende, zelfs op mijn eindlijst. Ik kon en wilde de Duitse Goethe en Schiller niet waarderen, terwijl mijn vader dol was op de Duitse literatuur. Daar was ik pas op latere leeftijd blij mee. Door de aantekeningen en opmerkingen, die hij in de "Faust" plaatste als hij het wel of niet eens was met de tekst, heb ik als volwassene het karakter van mijn vader toch nog een beetje beter leren kennen."
Veldhoven, oktober 2007 Tineke Beukering |
|
Bovenstaand verhaal is een voorpublicatie van het in 2010 te verschijnen boek van Bart Janssen, auteur van het in 2005 verschenen boek "De pijn die blijft" waarin verhalen van nabestaanden van de bombardementsslachtoffers van 22 februari 1944 zijn opgenomen. Zijn nieuwe boek zal gaan over "andere" oorlogsslachtoffers uit Nijmegen. Hun verhalen kwamen naar voren tijdens het onderzoek dat hij verrichtte voor zijn eerste publicatie en waren zó indrukwekkend, dat een vervolg op "De pijn die blijft" niet kon uitblijven. Binnenkort zal op deze website een speciale pagina geplaatst worden waarop Bart Janssen u oproept hem te helpen aan de ontbrekende puzzelstukjes voor zijn nieuwe boek, opdat de verhalen over de Nijmeegse oorlogsslachtoffers voor het nageslacht bewaard zullen blijven. Reacties op het hierboven gepubliceerde verhaal van Tineke Beukering kunt u per email kwijt aan Henk Kersten van Stichting Noviomagus.nl en zullen onder dit artikel geplaatst worden. Klik hier voor een fotoselectie uit het familiealbum van de families Toussaint, Pelser en Beukering |
|
REACTIES: Reactie 1: Beste Heer Kersten, |
|
Reactie 2:
Met veel interesse dit gedetailleerde verhaal van mevrouw Toussiant gelezen.
Erg indrukwekkend moet dit alles voor haar zijn geweest om dit als klein kind mee te maken.
Ook de documentatie is zeer mooi gedaan. Wat goed dat er toch nog mensen zijn die zo zorgvuldig alles bewaren en ook nog goed in staat zijn zich alles te herinneren en dit dan ook nog kunnen verwoorden. |
|
Reactie 3:
Heel leuk om de oude advertenties te lezen op de site van Tineke Beukering-Toussaint. Ik wist niet wat pellen waren en heb het opgezocht in het woordenboek. Misschien heeft niet iedereen een woorden boek bij de hand en willen ze toch wel weten wat pellen zijn vandaar dat ik van Dale citeer:1 .Pellen is de stofnaam voor kostbaar weefsel,veelal met gouddraad doorweven. 2.linnen of halflinnen weefsel met eenvoudige blokachtige patronen, voor tafellakens, servetten, enz. |
|
Reactie 4:
Jaap en Christien Hardeman, 12-05-08: Geachte Mevrouw Beukering en heer Kersten, |
|
Reactie 5:
Tineke Beukering-Toussaint, 24-04-09: Ik stuur
enkele foto's;
De onderstaande foto had ik nog nooit gezien, ook niet in het Nijmeegs Archief. Het "straatje van Vermeer". Ik schat ca,1940 maar twijfel. Ik dacht ergens een vuilniszak te zien en dat was niet uit die tijd. Ons huis is op de foto het 5de van links. Ik weet zeker dat de foto van vóór 1956 is en voor de speelstraat werd aangelegd. Ik zie het aan de gordijnen van ons huis.
Deze foto kreeg ik toegestuurd door Jos Joosten die nu in de Mesdagstraat woont. Hij heeft in het
kwartaalblad; "Radboud" van Maart j.l. een gedeelte uit mijn verhaal overgenomen met als bronvermelding
Noviomagus. Zijn column heet; "Plekken". |
|
Reactie 6:
Jos. G.M. Spierenburgh, 28-04-09: Beste Tineke, |
|
Reactie 7:
H. Kersemakers, 24-01-10: Pater Amandus Smackers overleed in 1957 in Grazz Oostenrijk. Hij was een broer van mijn schoonvader en geboren in Stein (L). Van zijn tijd in de oorlog weten wij bitter weinig. Waar kan ik informatie over deze tijd in Arnhem enz krijgen. Pater Amandus werd 57 jaar en stierf aan longkanker en is onder het hoofdaltaar in Grazz begraven. H. Kersemakers . h.kersemakers@home.nl |