|
Paul Rotering Kredietverstrekking Kredietverstrekking in de crisisjaren |
|
Bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen (F50451) |
|
|
Na de ineenstorting van de Amerikaanse aandelenbeurs in oktober 1929, daalde wereldwijd het vertrouwen in de economie en nam de werkloosheid snel toe. Ook Nijmegen werd zwaar getroffen door de economische crisis. Handelaren zagen de vraag naar hun goederen dalen waardoor zij genoodzaakt waren te snijden in hun personeelskosten. Gebukt onder de toenemende werkloosheid bleef een stijging in de vraag uit waardoor het vertrouwen in economisch herstel nog verder wegzakt. Pas in 1936, toen Nederland de gouden standaard losliet, volgde herstel voor de Nederlandse economie(01) hoewel de werkloosheid pas een jaar later echt begon te dalen.(02) In deze jaren van economische onzekerheid waren veel inwoners van Nijmegen genoodzaakt een lening aan te vragen. Instanties zoals de Hulpbank, die leningen verstrekte aan ondernemers, zagen het aantal leningen toenemen. Spaarbanken zoals de “Spaarbank van 1850” zagen de spaartegoeden teruglopen omdat men eenvoudigweg aanspraak moest doen op het kapitaal. De meest armlastige inwoners klopten aan bij de Bank van Leening, een instantie die voorschotten verstrekte op klein onderpand zoals kleding en sierraden. |
Vanaf 1932, toen de crisis echt merkbaar was in Nijmegen, nam het aantal leningen bij deze instantie echter af. Veel mensen hadden eenvoudigweg geen kleding meer over om bij ‘ome Jan’ in onderpand te
geven.(03) |
| Banken in Nijmegen | |
|
Vanaf 1880, na de ontmanteling van de Nijmeegse vestingwerken, nam het aantal inwoners van Nijmegen sterk toe. Er werden grote stedenbouwkundige uitbreidingen ondernomen en nieuwe statige huizen werden gebouwd in het centrum van de stad. Ook het beeld van bankgebouwen veranderde in deze tijd door het werk van toen bekende architecten als J. Knoops jr en Oscar Leeuw.(04) Moderne karakteristieken zoals een grote, statige en lichte hal moesten het beeld oproepen van een betrouwbare onderneming. Een fietsenkelder was toen net zo belangrijke voor de clientčle als goede parkeergelegenheid voor de auto tegenwoordig.(05) Ook de streng beveiligde kluis moest het vertrouwen in de bank verstevigen. De kluis stond veelal in de kelder en de brandveiligheid werd vergroot door deze in te bouwen in dikke lagen beton. Kluizen werden pronkstukken en zodra een bank failliet ging werd het pand al snel opgekocht door andere potentiële bankiers zodat in ieder geval de kluis in hun bezit kwam. In de jaren dertig waren banken ontwikkeld van afzonderlijke spaar- en voorschotbanken tot instanties waarin spaartegoeden, leningen en effectenhandel waren geďntegreerd. Enkele banken daarentegen waren gespecialiseerd in één handeling. Vaak werden deze in hun taken ondersteund door de
gemeente.(06) |
De ‘Spaarbank van 1850’ was opgericht door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in 1819 en maakte een succesvolle herstart in 1850 nadat politieke onrusten leidden tot opheffing in 1833. Andere banken waren bijvoorbeeld de ‘Rotterdamsche
Bankvereeniging’, de ‘Geldersche Credietvereeniging’, de ‘Incasso-bank’ (uiteindelijk gefuseerd tot ABN AMRO), de ‘Rijkspostspaarbank’, de ‘Nederlandse Middenstandsbank (gefuseerd tot ING bank) de ‘Boerenleenbank’ en de ‘Twentsche Bank’. Deze laatste bank lijfde in 1931 de ‘Nijmeegse
Bankvereeniging’ in.(07) De in 1907 op initiatief van Raiffeisen opgerichte ‘Boerenleenbank, die tussen 1920 en 1937 gevestigd was aan de Van Welderenstraat 6-8, functioneerde met name als krediet en depositobank voor kapitaalkrachtige
boeren.(08) Ambachts- en handwerklieden konden voor kapitaal terecht bij de Nijmeegse ‘Hulpbank’. Deze verstrekte voorschotten die bestemd waren voor het kleine (boeren-)bedrijf. Het vermogen van deze bank bestond niet uit tegoeden van spaarders, maar uit winsten, schenkingen en aandelen waarover maximaal 4 procent dividend werd uitgekeerd.(09) |
|
Ontwikkeling kredietverstrekking |
|
|
Ing. Th. Rosskopf was niet positief gestemd over het economisch herstel toen hij op 14 januari 1938 zijn verslag deed als voorzitter van de Kamer van Koophandel over het jaar 1937. “In het algemeen kan men zeggen, dat de opleving, die het begin van 1937 gekenmerkt heeft, gedeeltelijk tot staan is gekomen, in enkele takken nog voortgang maakt en in andere
terugloopt”.(10) “Hoewel in Nederland een eigen economische leven valt te constateeren, is ons land meer dan de meeste andere landen afhankelijk van de wereld-conjuctuur”.(11) Het aantrekken van de wereldhandel stimuleerde de Nederlandse economie, maar positieve effecten voor andere takken waren nog niet te bespeuren. Wat betreft de ontwikkeling in bank- en effectenbedrijven meldt het verslag in 1937: “Behoudens in de Effectenafdeelingen, waarin in de eerste maanden van 1937 belangrijk grootere omzetten werden gehaald door levendiger beurshandel […], hebben wij ter plaatse nauwelijks iets van eene opleving kunnen
bespeuren”.(12) Het economisch herstel aan het einde van de jaren dertig was dus zwak en had nauwelijks positieve gevolgen voor het Nijmeegse bankwezen. Een nader onderzoek naar de ontwikkeling van de financiële positie van enkele banken bevestigt dit beeld. Mensen namen hun spaartegoeden op en vroegen – indien mogelijk – vaker om een lening. Banken konden deze leningen echter niet altijd verstrekken. |
“Met genoegen kan worden vastgesteld, dat de Spaarbank in het jaar 1929 weer in toenemende mate de medewerking en belangstelling van het publiek mocht ondervinden. Immers niet alleen het inleggerkapitaal, maar ook het aantal spaarders is beduidend
toegenomen”.(13) De ontwikkelingen in 1931 hadden echter een grote invloed op het beleid van de bank. “Wegens de herhaaldelijk en onverwacht heftig optredende crisis-moeilijkheden over de geheele wereld was dit jaar wel een der meest eigenaardige en lastige in de geschiedenis van de bank,” zo staat geschreven in het jaarverslag. De bank zag de spaartegoeden in de jaren 1935-1936 het sterkst dalen (zie tabel 1 hieronder). De gemiddelde inleg van spaarders daalde in snel tempo van fl. 779,- in 1934 naar fl. 646,- in 1936, terwijl het aantal inleggers gestaag bleef stegen. Vanaf 1933 ontwikkelde de bank nieuwe financiële producten waarvoor een variabele rente werd vergoed. Hierdoor is het lastig de ontwikkeling in de rentestand te volgen. In de periode 1929-1933 verstrekte de bank drie procent rente over het spaartegoed. De vergoeding in de jaren erna is niet bekend, maar omdat de hypotheekrente daalde tot vier procent zal ook de spaarrente naar alle waarschijnlijkheid zijn
afgenomen.(14) |
|
Tabel 1.1, Spaarbank van 1850 |
|
|
Uit bovenstaande tabel valt verder op te maken dat het totale tegoed steeg in beginjaren van de crisis. Inwoners van Nijmegen begonnen zuiniger te worden en te sparen. In de periode 1935-1936 is er echter sprake van ontsparen doordat de gemiddelde inleg per spaarder afneemt. Het totale spaartegoed zou pas vier jaar later het niveau uit 1934 weer bereiken, maar toen was het inwonertal van Nijmegen ook ruim vijf procent toegenomen. |
Pandgevers konden aan het einde van de negentiende eeuw terecht in pandhuis de
‘Eenigheid’. De faciliteiten van dit gebouw deden sterk onder voor het statig karakter dat paste bij een fatsoenlijke bank in deze periode. In 1886 waren meer dan 46000 panden verstrekt en een systematische berging van de goederen werd noodzakelijk omdat de vele kleding direct onder het pannendak gestapeld moest worden. Het goud dat men in onderpand gaf, lag in rieten manden op de vloer. De schade door verrotting was aanzienlijk en in 1888 werd een nieuw pand geopend aan de Pijkestraat dat door stadsarchitect J. Weve was ontworpen. In 1913 werd een bijbank geopend aan de Waldeck
Pyrmontsingel, maar in 1932 verplaatste het pandjeskantoor naar de
Hessenberg.(19) |
|
Tabel 1.2, Bank van Leening |
|
|
Uit de toename van het gemiddelde leenbedrag bij de Bank van Leening valt onder meer af te leiden dat de zeer armlastigen – die vaak weinig in onderpand konden afgeven – niet meer aan konden kloppen bij de bank van lening. Ook nam het totaal aantal verstrekte voorschotten af. Het dieptepunt werd bereikt in de jaren 1934-1935 toen het aantal verstrekte voorschotten daalde tot minder dan dertigduizend per jaar. De Bank van Leening was voor haar kapitaal aangewezen op winsten en financiering via andere banken en de gemeente. De ontwikkeling van de rentestand op deze leningen was redelijk stabiel, al daalde deze sterk aan het einde van de jaren dertig toen de onzekerheid omtrent de Duitse oorlogsdreiging toenam. |
De Nijmeegse Hulpbank
|
|
Tabel 1.3, Nijmeegse Hulpbank |
|
|
Het aantal verstrekte voorschotten nam toe in de crisisjaren maar het totaalbedrag daalde – op een piek in 1935 na – vanaf 1933. Het aantal personen dat om een lening vroeg steeg tot aan 1936 waarna het aantal snel daalde. De gegevens van de Nijmeegse Hulpbank tonen aan dat de onzekerheid over de financiële situatie toenam. De aanvragen voor een lening stegen, maar het totale leenbedrag daalde. Wellicht kon de Hulpbank hogere bedragen niet meer voorschieten. In ieder geval nam de spreiding tussen het aantal aanvragen en de daadwerkelijk verstrekte voorschotten niet toe. |
Iedere goedgekeurde aanvraag werd opgetekend in een register waarin vervolgens alle terugbetalingen werden genoteerd. Een detail van een dergelijk register is opgenomen als bijlage van dit paper. Tussen de bladzijden van het register zijn ook enkele schuldverklaringen te vinden alsmede papieren waarin schuldenaren aangeven een achterstand snel te zullen inlopen.(27) Vooral uit de periode 1933-1936 zijn veel van deze achterstandsbriefjes overgebleven. Over het algemeen kan worden gesteld dat de kredietverstrekking door de Nijmeegse Hulpbank tijdens crisisjaren snel toenam en dat het gemiddeld bedrag dat als voorschot werd verstrekt in deze jaren afnam. |
| Conclusie | |
|
Op 11 januari 1929 keek de heer J. Van Engelenburg L. Czn. als voorzitter van de Kamer van Koophandel tevreden terug op “een bevredigend jaar”.(28) De kamer hield de eerste vergadering in het jaar 1930 “onder in het algemeen minder hoopvolle – hoewel nog geenszins verontrustende – omstandigheden”.(29) De daling van de effectenbeurzen in oktober en november zou echter nog lang een negatieve invloed uitoefenen op de wereldwijde economie. De jaarlijkse verslagen van de kamer van koophandel zijn vanaf 1930 volledig in mineur. De crisis heeft een grote invloed gehad op de economie in Nijmegen en ook op haar kredietverlenende instanties. De in dit paper beschreven instanties laten zien dat de daling van het vertrouwen in de economie ertoe leidde dat men meer begon te sparen. Ook het aantal leningen bij de Nijmeegse Hulpbank, een instantie die leningen verstrekte voor beroep of bedrijf, nam toe. Dit wijst erop dat veel middenstanders het moeilijk hadden om rond te komen. De spaarbanken noteerden een afname in het spaartegoed in de jaren 1935-1936. In diezelfde periode nam het aantal leningen dat de Hulpbank verstrekte ook sterk af. De meest armlastigen klopten aan bij de Bank van Leening, de lommerd, en gaven kleding in onderpand voor een kortlopende lening. |
Het aantal voorschotten dat de Bank van Leening verstrekte nam sterk af in de crisisjaren. Dit duidt erop dat de meest armlastigen zelfs geen kleding meer over hadden om in pand te geven, zo wordt ook opgetekend in het jaarverslag over 1932. Hoewel er sprake was van een economische crisis, waren er geen grote schommelingen in de rentestand. Diverse instanties hadden een vast rentepercentage vastgesteld en pas vanaf 1938 zorgde een daling van de rente op de internationale kapitaalmarkt onder de Duitse oorlogsdreiging voor een daling in onder andere de hypotheekrente. |
|
Bijlage |
|
|
Detail van het register van de Nijmeegse Hulpbank
|
|
| Verwijzingen | |
|
1.
J. Van Zanden, The
Economic History of the 2.
J. De Vries, Nieuw
Nijmegen 1870-1970, Moderne economische geschiedenis van de stad Nijmegen
(Tilburg, 1969) p. 108. 3.
Y. Segers, Debiteuren
en crediteuren, banken in Nijmegen
(Nijmegen, 2002); De Vries, Nieuw Nijmegen p. 122-123; Regionaal Archief Nijmegen (RAN),
Jaarverslagen van ‘De Spaarbank te Nijmegen’ 1923-1931 en 1933-1937, J
5; RAN, Jaarverslagen van de ‘Bank van Leening’ 1929-1938, J 181; RAN,
Reglement voor de hulpbank te Nijmegen (1938), BR 575; RAN, Archief van de
Nijmeegse Hulpbank 1862 – 1966, toegangsnr. 894, registers van
verstrekte leningen 1928-1934 en 1935-1952, 14-15. 4.
Y. Segers, Debiteuren
en crediteuren. 5.
Ibidem. 6.
Ibidem 7.
Ibidem en
‘De Nijmeegse Bankvereeniging Van Engelenburg & Schippers,
overdoen van Bedrijf aan de Twentsche Bank’, De Gelderlander, 29-5-1931 8.
RAN, ‘De Rijkspostspaarbank 1881- 9.
RAN, Reglement voor de hulpbank te 10.
RAN, Jaarverslag Kamer van Koophandel
en Fabrieken voor ‘het Land van Maas en Waal’ Nijmegen, 1937 p. 12, J
197. 11.
RAN, Jaarverslag Kamer van Koophandel
1937, p. 11, J 197. 12.
Ibid p. 30 (?). 13.
RAN, Jaarverslagen
van ‘De Spaarbank te Nijmegen’ 1923-1931 en 1933-1937, J 5. 14.
J. De Vries, Nieuw
Nijmegen p. 122; RAN, Jaarverslagen van
‘De Spaarbank te Nijmegen’ 1929-1931 en 1933-1937, J 5. 15.
RAN, Jaarverslagen
van ‘De Spaarbank te Nijmegen’ 1936, J 5. 16.
Ibidem voor 1937. 17.
J. De Vries, Nieuw
Nijmegen p. 121. 18.
Ibidem, p. 121. 19.
Y. Segers, Debiteuren
en crediteuren. 20.
RAN, Jaarverslagen van de ‘Bank van Leening’
1929-1938, J 181 21.
RAN, Jaarverslag van de ‘Bank van Leening’ 1933, J
181. 22.
Ibidem. 23.
RAN, Reglement voor de hulpbank te 24.
RAN, Reglement
voor de hulpbank te Nijmegen (1938), BR 575, artikel 1. 25.
Ibidem, artikelen 2, 6, 7 13 en 14. 26.
RAN, Reglement voor de hulpbank te 27.
Ibid., losse vellen. 28.
RAN, Jaarverslag Kamer van Koophandel
1928, p. 9, J 197. 29.
RAN, Jaarverslag Kamer van Koophandel
1929 30.
RAN, Jaarverslag Kamer van Koophandel
1930-1937, p. 9, J 197., p. 9, J 197. |
|