ZesDagenInGelderland

© Digitale bewerking 28-11-2015 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Zes dagen in Gelderland

uit het dagboek van Willem de Clerq

Voorwoord - Dagboek - Reacties

Redactie: van deze zesdaagse reis volgen hier slechts de gedeeltes over Nijmegen en omgeving.

Voorwoord door Marijke Stapert-Eggen

In de zomer van 1815 maakte een drietal Hollandse jonge mannen vanuit Amsterdam een tochtje naar Gelderland. Zij bezochten onder meer Arnhem en Nijmegen en de omstreken van deze steden.
       Een van hen was Willem de Clercq (1795-1844), commissionair in granen en later letterkundige, Rëveil-voorman en directeur-secretaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. De dagboekaantekeningen die hij tijdens het uitstapje maakte, heeft hij verwerkt tot een reisverhaal, dat nooit eerder is uitgegeven: Zes dagen in Gelderland.
       De Clercq heeft van 1811 tot aan zijn dood in 1844 met grote regelmaat dagboek gehouden. Hij betitelde de jaardelen als "Particuliere Aanteekeningen". Sinds de uitgave in bloemlezingvorm van Allard Pierson (1870/73, 1888) staan ze bekend als Het Dagboek van Willem de Clercq.
       Het origineel van het dagboek, ettelijke tienduizenden bladzijden, tezamen bijna twee meter dubbel gevouwen bladen doormidden gesneden Quad Post-formaat (32x19,5 cm), is als onderdeel van De Clercqs schriftelijke nalatenschap in 1932 door de familie overgedragen aan de Stichting Het Réveil-Archief, en, samen met de overige verzamelingen van deze Stichting als bruikleen gedeponeerd in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, Afdeling Handschriften.
       Het manuscript van het reisverhaal bevindt zich in het omslag 1815.

In 1815 was Willem de Clercq reeds een bereisd man, zeker gezien zijn leeftijd en de roerige tijden waarin hij was groot geworden - de Franse overheersing en de nasleep daarvan lagen nog vers in zijn geheugen. Gedeeltelijk ten behoeve van de firma had hij enkele reizen naar de provincies Overijssel, Groningen en Friesland ondernomen en bovendien Oost-Friesland en Bremen bezocht. Maar de tocht naar Gelderland in 1815 had een andere dan een zakelijke bedoeling. Willem was die zomer in stilte verloofd geraakt met de vier jaar jongere Caroline Boissevain, met wie hij in 1818 zou trouwen. Deze gebeurtenis had hem zo aangegrepen, dat hij er letterlijk even uit moest, om tot zichzelf te kunnen komen. De emoties van zijn verliefdheid hebben De Clercq waarschijnlijk meer dan normaal bewust gemaakt van de schoonheid van de natuur die hij in Gelderland ontdekte. Het reisdagboekje legt er op menige pagina getuigenis van af, en laat zien, dat het eigenlijke doel van de Gelderse Reis geen stedeschoon maar natuur was. De heren wilden recreëren, conform het motto boven de beschrijving van de tweede dag. Dit motto: Natur, Liebe und Freundschaft sind die Quellen des Glücks staat model voor de hele reis, en de beschrijving ervan. En dat maakt het reisverhaal ook meer dan gewoon interessant.

Lunteren, Marijke Stapert-Eggen


Zes dagen in Gelderland

[..]

Vierde Dag. 19 Augs 1815

[..]

Nijmegen in de Plaats Royaal des avonds

[..]
Nu ging de weg verder naar Nijmegen. Dezelve wordt veel schoner als men de stad nadert en toen wij bij Lent afscheid van onzen voerman namen zagen wij Nijmegen in een soort van Amphitheater voor ons uitgespreid, met de brede Waal voor dezelve. Wij traden eerst over een schipbrug en kwamen vervolgens in de Gierbrug te land. Deze Gierbrug is een soort van grote bak, die door den stroom zou voort gedreven worden doch door een touw aan kleine schuitjes vastgemaakt, tegen den tegenovergestelden oever aangedreven word, tgeen indedaad zeer aangenaam is. Te Nijmegen aangekomen wierd het schone vergezicht door het aanschouwen van vrij morsige huizen in de nabijheid, eenigzints ontluisterd. Een paar brutale jongens boden zich terstond als wegwijzers aan en wij konden, als vreemdelingen hunne indringende lastigheden niet geheel van de hand wijzen. Wij bemerkten dat het klimmen noch niet ophield, en moesten hier in de straten bergen bestijgen tgeen voor hen die nooit iets zoodanigs gezien hebben indedaad zeer verrassend is. Wij kwamen in de plaats Royaal en etablisseerden ons hier op eene fraaie kamer hoewel het uitzicht ver van verrukkend is. Wij traden vervolgens na t Postkantoor en daar wij door het niet ontvangen van brieven bemerkten dat onze Amsterdamsche vrienden ons geene grote ongelukken te melden hadden, zoo trokken wij zeer welgemoed verder, steeds door onze lastige Cicerones vervolgd. Men vindt hier schone straten en de afhelling van dezelve veroorzaakt vooral een uitmuntend gezicht op den toren der stad, die zeer fraai is.
       Wij klommen gedurig tot wij eindelijk door eene laan die den wal vormt, het Belvedere bereikten. Dit Belvedere is een ouderwetsche toren welke op eene zeer grote hoogte staat en alwaar langs eene menigte trappen na een soort van bordes opgeklommen word. Hier is dan ook waarlijk een Belvedere in de uitgestrektste zin van t woord. Wij hadden nu reeds veele uitgestrekte gezichten, doch geene in deze trant gezien. Hier was het niet een bijzonder tafreel maar een algemeen Panorama en dit was indedaad heerlijk. Wij genoten dit gezicht op een treffend oogenblik namentlijk toen de zon langzaam nederdalende eindelijk aan het gezichteinder verdween.
Ja, treffend was 't gezicht, zoo ver het oog zich strekte.
Den slangenloop des Waals langs 't vrugtbaar land ontdekte,
Wijl Eltens bergenspits door 't nevlig uitzicht boort,
Zich daar de vesting toont, en ginds een dal bekoort.
Dit landschap zagen wij, bij t statig avonddalen,
Verguld door t gloeiend rood der laatste zonnestralen.
Daar zagen wij zijn glans dat hier ons oog ontzonk
Terwijl t verrukkendst licht nog in den vuurklomp blonk.
Zoo zonk in t eind de zon, om luistrijk weer te rijzen
Zij scheen den sterveling het schittrend beeld te wijzen
Hoe dees eens op zijn spoor in t schijnbaar niet verzinkt,
Doch ook met nieuwen glans bij schoner morgen blinkt.
Daar nu zulk een gezicht beter genoten dan beschreven kan worden zal ik mij daarmede niet langer ophouden. Wij keerden naar beneden betoverd door tgeen wij gezien hadden doch door den wind vrij wat doorgewaaid. Na in 't nederdalen vernomen te hebben dat men hier zestig torens zien kon van welk genoegen Justus en Clericus als bijzienden weinig gesmaakt hadden zetten wij op het Valkenhof aan welke een tuin is op een soort van berg gelegen. Om van de poetische smaak van deze oorden te getuigen zoo vindt men hier reeds bij het intreden:
Gij die hier het schoon komt roemen,
Houdt uw hand van loof en bloemen.
Men gaat eerst langs eene laan in t rond en op eene bank gezeten is het gezicht over de Waal voortreffelijk. Ook vind men hier het nederige opschrift:
Weet gij mij een plaats te noemen,
Die op zooveel schoons kan roemen?
en dit latijnsche opschrift:
Quem dabis haec possit qui dare cuncta locum?
Een van de grootste bijzonderheden van dit oord alwaar eertijds, ik geloof ten tijde van Karel den groten een kasteel stond bestaat in een paar oudheden. Het eerste is een soort van ronde toren die weinig betekent. Binnen in den hof vind men eene ruïne wel is waar eenigzints regt afgesneden doch van eenen kant gezien zeer schilderachtig. Men heeft hier zeer voorzichtig een hekwerk geplaatst om dit pronkjuweel niet te beschadigen. Justus en Clericus waren zeer in de weer om te beoordelen of deze Ruine oorspronglijk uit de Romeinsche tijd of uit de Middeleeuwen was. Een soort van kolom, die wij hier zagen gaf juist het denkbeeld niet van iets anticqs. (Naderhand vernam ik dat wij wel gezien hadden en deze kolom indedaad een inmengsel van later tijd was.) Deze ruine was door treurwilligen omschaduwd, indedaad een goed denkbeeld. In den tijd van Napoleon had men alhier zijn buste geplaatst met deze woorden:
César et Charlemagne revivent en lui
Een ander schreef er onder:
Mais Néron et Caligula aussi.
In 't geheel is dit Valkenhof zeer aangenaam schoon wij de ruïne en deszelfs doel niet juist begrepen.
       Wij zagen hier vele Dames wandelen en waren zeer nieuwgierig tot welke rang der maatschappij dezelve behoorden. Onze jonge Cicerone scheen door dames van eene min aanzienlijke classe als Adviesjagt gebruikt te worden, en indedaad begreep hij misschien dat deze dienst bij ons die, met stokken gewapend er vrij bars uitzagen en veel op verlopen studenten geleken, wel te pas zoude komen, doch hij had zich grotelijks bedrogen, want naauwelijks begon hij zich uit te laten, of wij benamen hem door eenen duchtigen vloek (tgeen anders al zeer weinig gebeurde) en door de aanbieding van stokslagen de lust om zijnen aanval te hernieuwen. Nu keerden wij naar onze Plaats royaal terug alwaar onze reizigers zich verheugden in vrede aan hunne journalen te kunnen werken terwijl Bruno eene visite deed.
       Nu werd er weder een nieuw soort van genoegen genoten namentlijk om hier eindelijk eens een heerlijk souper te vinden tgeen dan ook door onze reizigers met veel graagte genuttigd wierd. Gelukkig zaten zij neder en gingen eindelijk zalig ter ruste. Zij hadden gedacht eens regt goed te slapen doch wierden reeds vroegtijdig opgewekt door Clericus die door een groote spinnekop uit het bed gejaagd wierd. Het ontbijt was niet minder dan het souper. De zon boorde door de vensterramen heen en zij vonden zig vol moed om de Nijmegensche environs te bezichtigen.
       Men vind te Rozendaal een album alwaar men geleid word eer men de plaats gezien heeft en waar men dus à priori deszelfs schoonheden kan bezingen. Ik schreef een klein vaersje hierop toepasselijk, dat echter de moeite niet waard is om onthouden te worden. Bruno schreef in hetzelve een vaers ter eere der bezitster van Rozendaal.

Vijfde dag. 20 Augs

Freude schöner Götterfunken
Tochter aus Elysium
Wir betreten, feuertrunken
Himmlisch dein Heiligthum: (Schiller)

Beek bij Nijmegen.

Zoo traden wij dan Nijmegen in, om deze stad nog eens wat meer van nabij te bezichtigen. Indedaad zij is dit overwaardig. Men vind er zeer schone straten en een ruime markt. Aldaar gaat men onder eene poort door en men bevind zich in een soort van hof. Men ziet aldaar van de eene zijde de kerk en van de andere een zeer oud gebouw, geheel met verschillende beelden versierd. In het midden van hetzelve ziet men het laatste oordeel zeer stichtelijk afgebeeld doch echter met zeer weinig smaak, gelijk ook alle deze poppen waarvan sommige geguillotineerd zijn tgeen wij dachten dat misschien in den beeldenstorm gebeurd was. Wij dachten dat als antiquarii wij toch ook een opschrift noteeren moesten en bragten tot nut van alle liefhebbers het volgende dat voor dezen gevel te lezen stond op papier:
Non aliena tuis venerabere numina votis
Sume deique tui vanos nec nomen inusus.
Sed mea sacra coles, opere feriatus et anni
Semper honore tuos merito reverere paretes
No hominem quemquã trudele morte necabis
Ante judicium interroga te ipsum
Alterius caveas lectum temerare jugulum
Non furtim facias, digitos cohibelis ab illo
Testis es accitias, nihil attestabere falso
Nullius adfectum spatiosã tecta per orbem
Alterius nuptum servum famulos et asellos
en in het midden
Iam viget hic nobis pax bona relligioque
Pura et publica non praecipienti aesla.
Wat nu de bestemming van dit gebouw was, onbeslist latende bezagen wij de kerk, die van binnen zeer sierlijk en van buiten zeer fraai was. Het merkwaardigste was eene marmere tombe met metalen wapens welke de blazoenkundige Justus oordeelde van eene gravin van Gelderland te zijn. Verder een gedenkteken ter eere van Josselet 1790. De leeraar galmde vreeslijk en de toehoorders schenen meer aandacht op onze kerkwandeling dan op zijne woorden te hebben. Wij zagen bij onze terugkomst nog vele oude gebouwen een soort van Justitie paleis en betreurden dat wij deze stad zoo spoedig verlaten moesten, en dus niet al deszelfs merkwaardigheden bezichtigen konden. Wij zagen tot onze verwondering hier een Amsterdamsche bekende, namelijk eene toeslêe, doch zooals men die in de plaatjes van vroeger tijd vind.
       Eindelijk kwamen wij aan de poort, trokken door de vestingwerken wier hechtheid wij als ongewijden in deze edele kunst niet beoordelen konden. Toen wandelden wij den zoogenaamden hogen weg, zagen nog eens de ligging van Nijmegen, beschouwden in 't verschiet de molen van onzen vriend Kerkhoven en kwamen aan een kroeg alwaar het volgende gedicht te lezen stond:
In de drie kronen is good logis voor de vromen
Die het vegten laten
En het borgen haten
Die mogen vrij binnenkomen.
Nu was het weder alles met hoogtens en laagtens. Schone gezichten vond men overal. Eer wij er echter om dachten, daar wij eenen bijweg ingeslagen hadden, bevonden wij ons in een dennenwoud en zagen na het beklimmen van eenen berg dat wij ons in een vrij uitgestrekt bosch bevonden. Wij moesten hetzelve ras verlaten en kwamen in een nieuw bosch en daar aldaar geen pad was bekroop ons de lust om ons door de bomen heen derwaards te begeven en zoo drongen wij door in eene zeer lieve vallei waar men niets zag als zijden van bergen en bomen in het wild door elkander verspreid.
Dit oord wierd door natuur tot eenzaamheid verkooren,
Slechts deed zich 't windgeruisch hier door de bladren horen,
En in dees' enge kreits, door berg op berg bepaald,
Was in 't bevalligst kleed de schoonheid neergedaald.
Wij verlieten hetzelve en nu nederdalende opende zich de heerlijkste vlakte voor onze oogen terwijl wij langs de vrugtbaarste helling naar de Waal nederdaalden. Wij wisten nu ook volstrekt niet in wat oord wij ons bevonden tot wij eindelijk vernamen dat wij nabij Beek waren. Dit Beek is een dorpje dat eene uitmuntende ligging heeft. Daar zagen wij een herberg alwaar eene Jufvrouw en demi négligé ons in eene kamer inleidde, waar Bruno ons op een soort van advocatenborrel van zijn maaksel onthaalde. Daarna zagen wij eerst agter de herberg vrij stijve partijen geschoren bomen etc. Maar agter aan de plaats wierden wij met dezelve verzoend door langs den loop van een beekje te wandelen. Dit beekje stroomt hier natuurlijk van de hoogte af en vormt eene menigte cascades die zeer aardig zijn doch waarvan meer partij had kunnen getrokken worden. Nu zijn wij in de hoogte aan den oorsprong van dit beekje gezeten terwijl Bruno in den omtrek vaerzen opsnijd:
Beekjes zong ik ooit 't geklater,
T zachte murmlen van uw vliet
Ach ik kende uw lieflijk ruischen
Ach ik kende uw schoonheid niet.

Hier zie ik u kabblend vloeien
Daar 't geboomt uw boord versiert,
K zie u hier den grond besproeien,
Door natuur alleen bestierd.

Ja, zoo moge ook eens mijn leven
Lieflijk vloeien als uw nat,
Daar geen woeden der orkanen
T zilver uit uw boorden spat.

Ja zoo vaak ik weêr zal zingen
T murmlen van uw stille vliet
Zal mij dat tafreel omringen,
Dat ik heden hier geniet.

Ruimzicht

Het is een kwartier uurs geleden dat ik bij het beekje nederzat en reeds schrijf ik weder. Wij waren over eenen schonen berg na eene buitenplaats Ruimzicht genaamd gekomen. Wij wisten dat dezelve aan een oud heer in de Betuwe genaamd toebehoorde. Wij vonden bij een klein paviljoen eene oude boerin, die ons met de innemendste gulhartigheid verhaalde hoe deze goede oude heer hier alle wandeling vrij gesteld had dat hij haar nevens haar man hier voor niet had laten wonen, doch dat hij na de dood van dezen en van eenen jong gestorvenen broeder dit oord niet meer bezocht, dat hijzelve alreeds zijn graf had laten maken dat hier te vinden was. De gulle taal dezer vrouw verrukte ons. Wij zagen in een zijpad het graf. Op een heuvel lag een blaauwe zerk met deze woorden:
Gelukkig de mensch, die over het akelige graf een vrolijk uitzicht heeft in verwachting eener zalige hope.
Nu gevoelden wij al het schone dezer eenvoudige regels en vergeleken dezelve met de prachtige opschriften van de elendige hermitage op den Lichtenbeek. Hoe gaarne hadden wij den goeden ouden. Wij kwamen op een open plek en moesten ook hier bewonderen. Ik heb dikmaals de naam van Ruimzicht op paden buiten de poorten van Amsterdam gezien doch ik wenschte de eigenaars hier te zien en dan zouden zij kunnen beoordelen wat men eigentlijk door dit woord Ruimzigt verstaat. Zij zouden hier op eene ontzettende hoogte staande geheel Gelderland met zijne bosschen rivieren en steden aan hunne voeten zien leggen. Beschrijven kan ik niet. Hier vleiden wij ons toen neder en de mengeling van gewaarwordingen die toen de geschiedenis van den ouden heer, het graf het gezicht in ons verwekten, was te levendig om niet eenige oogenblikken aan de zelve toe te wijden
Dat hij wien menschensmaad 't gevoelloos hart verschroeide
Voor wien geen enk'le bloem in 't vreugdloos leven bloeide
Zich wende naar dit oord, hier leer 't geheim verstaan,
Om als de noodstorm loeit, nog rustig pal te staan.
Hij leer hoe hier t gevoel zijn geur'ge krans blijft vlechten
De eenvoudige natuur ons blijft aan t leven hechten,
Dat vaak een edel hart nog in den boezem slaat
Weldadig over de aard zijn zegen stralen laat.
Dan zie hij bij dit graf, dan blijft hij deugd beminnen
Hij ook den ramp van t lot eens juichend zal verwinnen.
Natuur, die hier haar schoon voor zijne voeten spreidt,
Toont hem reeds 't ochtendrood der schone onsterflijkheid.

Herberg te Nijmegen des avonds.

Aldus wandelden wij op eene vrij sentimenteele wijze verder voort en bezagen deze buitenplaats Het is een aanleg op de helling van grote hoogtens en men heeft alleen de moeite genomen om lanen te vormen en op de schoonste uitzichten banken of prieeltjes te zetten. Dit gaf nu een klouteren en rennen zonder ophouden zoo dat men zich nu in de hoogte dan bijna in den afgrond bevond en alles is hier zoo schoon dat men niet gelijk bij ons eene kunstnatuur behoeft te vervaardigen maar alleen die welke men vindt te leiden. Nadat wij dan dit alles lang genoeg bezichtigd hadden, trokken wij weder naar Beek op zonder te weten in welke rigting zich dezelve bevond. Terwijl wij door vrij ongebaande wegen streefden, en smachtende van hitte en dorst voorttrokken, rolde Bruno opeens in een struik verward doch hoe verrukt was hij niet toen hij bij het oprijzen de geurigste bramen om zich heen zag blinken. Toen ging het aan 't grijpen en vangen en, hoewel de brandnetels en doornen menige braam deden bezuren, was dit echter eene uitmuntende lafenis. Nu trok men weder over velden en wegen en bereikte door 't bekoorlijk dorpje Beek de herberg. Alhier was nu ook de fontein aan t springen geraakt tgeen na de vroeger aanschouwde waterwerken niets te beduiden had en de reizigers alleen diende om elkander eenigzints te besproeien. Meer genoegen deed ons de kastelein door ons een paar biefsteken voor te zetten die met goed gevolg genuttigd wierden. Hierna wierd nogeens de schone oorsprong van 't beekje bezocht en de reizigers begonnen eenig zints zwaarmoedig te worden dat het einde dezer bekoorlijke reis reeds zoo na op handen was. Doch de vrolijkheid wierd egter niet verloren en de weg naar Nijmegen opgewandeld. Deze veranderde nu eensklaps van het uitgestrekste gezicht in een naauw soort van bergengte waar men alleen schone bomen zag. Na een half uur deze aangename wandeling betreden te hebben kwamen wij te Ubbergen en hier vonden wij zeker een der schilderachtigste dorpen van ons vaderland. Het ligt geheel op de helling of aan den voet van hoge rivierduinen op verschillende hoogtens, met bomen beplant, met huizen bedekt, of met wegen doorsneden en het witgepleisterd kerkje, op een der hoogtens gelegen is ten uiterste bevallig. Deze gehele landstreek scheen om zoo te zeggen een klein Zwitserland te zijn. Bij een vrij vervallen herberg dronken wij thee en genoten een goed gezicht dat egter in de hoogte veel treffender was. Aldaar vond men op vele plaatsen banken en deze gezichten en nederdalingen waren zoo verleidend dat wij niettegenstaande eene vrij aanmerkelijke vermoeienis niet konden ophouden met dan hier, dan daarop te klimmen doch wij moesten ons eindelijk ook van dit oord afscheuren. De zoogenaamde lage weg is verrukkend schoon en voert geheel langs den voet dezer schoon beplantte hoogtens heen terwijl in 't verschiet de Waal en eenige andere riviertjes vloeien.
       Wij bezagen nogmaals het Valkenhof en vonden daar het gezelschap even min schitterend als op den vorigen avond. Eindelijk te Nijmegen aangekomen wisten wij tot uitrusten niets beters te bedenken als nogmaals deze hobbelige stad te doorkruissen. Wij liepen door de straten hier en daar de latijnsche opschriften die wij boven de huizen vond nederschrijvende trots de hekelingen van onzen vriend Bruno die zeer met onze antiquarische opmerkzaamheid den spot dreef. Zoo vonden wij bijv. voor een huis

Mundus regitur opinionibus
(De wereld wordt door gevoelens beheerscht)

en voor een ander

Fide, sed cui vide
(Vertrouw, doch zie wien)

Nu bewonderden wij nog schone straten en kwamen aan eene poort die de grootste kentekens van oudheid droeg met eene bekende Latijnsche spreuk en het jaartal 1144.
       De wallen die wij vervolgens rondgingen zijn fraai met bomen beplant en duchtig met kanonnen bezet. Men heeft uitzichten van de vestingwerken en ziet dat dezelve nogal van vrij wat belang zijn. Hier en daar ziet men op de wallen nog de een of andere oude toren. Het laatste dat wij bezagen was de rivierkant die wat de huizen betreft thans zeker de minste is, terwijl de scheepvaart op dit oogenblik ook niet van groot belang scheen te zijn.

Zesde dag

Es kann ja nicht immer so bleiben.

Utrechtsche nachtschuit 21 Augs

Hier zit ik dan neder bij een ongunstig licht om nog voor onze aankomst te Amsterdam, het laatste en juist het belangrijkste deel onzer reize neder te stillen. Het droevig uur der terugreize naderde en gelijk alle aardsche geneugtens nam ook onze reis een einde. Met zwaarmoedige gevoelens wierd het ontbijt genoten en men kon niet begrijpen hoe de tijd zoo kort scheen en wij tevens zoo veel gezien hadden dat wij op onze verbeelding af zouden gewaand hebben enige weken uit Amstels muren verwijderd geweest te zijn. Wij staken met eenen Gierbrug de Waal over en bestegen onze Diligence.
[..]

terug naar E-boek

Reactiepagina
Reactie 0:

Marijke Stapert-Eggen, 28-11-2015: Reisverslag 'Zes dagen in Gelderland' uit 1815

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: