|
Paul van der Heijden |
|
|
Trams in Nijmegen |
|
|
Het lijkt alweer lang geleden, maar oudere Nijmegenaren weten het nog goed: eens tingelden er trams door onze stad. Het ging om slechts drie lijnen, maar één ervan stond bekend als de mooiste van heel Nederland: lijn 2. De tram van lijn 2 kroop via de bosrijke heuvels van Beek omhoog naar Berg en Dal en was dan ook een toeristische attractie van internationale orde. De vooruitgang heeft echter alle tramsporen weggewist. Wat rest zijn dierbare herinneringen aan voorbije tramromantiek. |
|
|
Vlak na het afbreken van de Nijmeegse stadsmuren, werd er flink nagedacht over nieuwe systemen van openbaar vervoer. Dat resulteerde in 1889 in de aanleg van de eerste stoomtramlijn tussen Neerbosch en Beek. Al snel bleek het stinkende, proestende en sputterende gevaarte meer overlast te bezorgen dan vervoersgemak. Bovendien was de tijdwinst minimaal, want de stoomtram was nauwelijks sneller dan een voetganger met een ferme pas. Het wantrouwen jegens de nieuwerwetse vervoermiddelen was zo groot dat nog in 1897 een paardentramlijn werd geopend op het traject Molenstraat - St. Annalaan - Kastanjelaan. |
|
| Smalspoor | |
|
Bij de aanleg van de tram koos men voor een spoorbreedte van 1076 millimeter, omdat de Clever Bahngesellschaft dezelfde breedte aan zou houden bij de aanleg van het traject Kleef-Wyler-Beek. Trams zouden zo rechtstreeks van Nijmegen naar Kleef kunnen rijden. Maar terwijl Nijmegen bezig was de rails aan te leggen, besloten de Duitsers tot de aanleg van een normaalspoor van 1435 millimeter. Zuur voor Nijmegen, want die breedte wilde men aanvankelijk óók. De internationale verhoudingen waren blijkbaar, zo vlak voor de Eerste Wereldoorlog, nogal onstuimig. Nijmegen reageerde acuut door de Duitsers te verbieden hun tramrails tot vóór Hotel Spijker in Beek aan te leggen. Nog tientallen jaren moest men daarom, op weg van Nijmegen naar Kleef, in Beek driehonderd meter lopen om over te stappen op de Duitse tram. |
|
| Kindjes op sterk water | |
|
Andere problemen voor de Nijmeegse tram waren de hoogteverschillen. Zo leverde de Stikke Hezelstraat enige problemen. Met een vermogen van wel 120 pk kon de tram deze helling van 1:12 vrij eenvoudig overmeesteren. Bergaf was echter een stuk hachelijker. Als er herfstbladeren op de rails lagen, hadden de remmen nauwelijks meer grip en moest de helling met geblokkeerde wielen glijdend worden overbrugd. Gelukkig kregen de trams na enige tijd een verbeterd remsysteem, waardoor dat euvel werd opgelost. |
|
| Wagon op drift | |
|
De elektrische tram bleek een redelijk veilig en betrouwbaar vervoermiddel. Op die ene keer in 1915 na, toen een bijwagen in Hengstdal losraakte van de motorwagen en bergaf sjeesde richting binnenstad. Na een dolle rit van tweeëneenhalve kilometer over de Berg en Dalseweg, Burchtstraat en Hezelstraten ontspoorde de tram op de Korenbeurs, schoof nog 120 meter door over de keien en kwam tegen een boom tot stilstand. Niemand raakte gewond, deels omdat er in die tijd nog nauwelijks autoverkeer was, maar vooral omdat een manmoedige conducteur vanaf de op drift geraakte wagon de overige weggebruikers luidruchtig voor het aanstormende gevaarte waarschuwde. |
|
| Trolley | |
|
De Nijmeegse tram heeft grote tijden gekend. In het jaar 1928 werden meer dan drie miljoen passagiers vervoerd, gemiddeld zo'n 8000 per dag. Toch bleek de exploitatie niet rendabel te zijn en werd de concurrentie met het autoverkeer heviger. Na een korte opleving tijdens en vlak na de oorlog ging het weer bergafwaarts met de tram. Er was al tijden niet meer geïnvesteerd in de lijnen en het materieel, waardoor de tram sterk verouderd was. Het gemeentebestuur vond de tram niet modern genoeg meer en hief alle lijnen op. In 1955 verdween de laatste tram uit Nijmegen, ten gunste van de trolley, die het als 'modern' vervoermiddel maar tot 1969 uithield. |
|
| Bitter weinig bewaard | |
|
Van de Nijmeegse tram is bitter weinig bewaard gebleven. Alle tramstellen zijn gesloopt en ook de rails is grondig verwijderd. Eenzame getuigen van het Nijmeegse tramverleden zijn de kiosk in het Hunnerpark (een voormalig tramhuisje), een stenen bank uit 1922 in de Kerkstraat (ter herinnering aan de opening van tramlijn 3) en het hulpstation van de elektrische centrale in Beek. Deze centrale moest extra vermogen leveren voor de klim van de tram naar Berg en Dal. Momenteel is er Museum Mooi Nederland in gevestigd. Op de Rijksstraatweg naar Beek is de plek van de rails - inclusief halteplaatsen - aan de linkerzijde van de weg nog redelijk goed te traceren. Datzelfde geldt voor de lus over de Sterrenberg. Nog goed te zien is de plaats waar de brug heeft gelegen en waar de tram op de andere kant over de parallelweg weer verder ging. Hier liggen tussen de bomen op het talud nog enkele schaarse brokstukken van de voormalige brug. Dit beetje puin is alles wat over is van het mooiste tramlijntje van Nederland. De rest leeft voort in kostbare herinnering.
|
|
|
Eerder
verschenen in magazine |
|